Kunnen we met DNA-testen de Joodse afstamming bewijzen?  
woensdag 09 augustus 2017
Dayan EversWetenschap »  Auteur: Opperrabbijn R. Evers | 251 keer gelezen

In de Tora, onder meer in Va’etchanan, wordt gesproken over onze Joodse afstamming en de verschillende gevolgen daarvan. Met de moderne DNA technieken kunnen we veel over iemands afstamming te weten komen en aantonen. Maar zijn we inmiddels zover dat een DNA-test voldoende bewijs is om je Jodendom, je Joods zijn aan te tonen?

Ik vroeg een van mijn gemeenteleden of hij geloofde dat het Jodendom aan genen gebonden is. Is een bepaalde Joodse genenstructuur voldoende om zijn of haar Joodszijn te bewijzen? Zijn laconieke reactie was dat daar heel veel meer voor nodig is dan een paar Jiddisje genen. Ik kon hem gevoelsmatig geen ongelijk geven want er bestaat ook nog zoiets als een Jiddisje nesjomme. Maar aan de andere kant weten we allemaal dat voor Joodszijn maar een enkele voorwaarde is: een Joodse moeder. Meer is niet nodig volgens onze Rabbijnen.

Zijn alle Joden wereldwijd genetisch verbonden? Als alle Joden wereldwijd genetisch nauw met elkaar verbonden zijn, dan vraag ik door: bestaat er dan een Joods gen of combinatie van genen? Als het aan de Amerikaanse geneticus Harry Ostrer ligt, kan het Joodse volk zelfs als een duidelijke etnische eenheid worden gezien. In zijn Legacy: A Genetic History of the Jewish People (Oxford University Press, 2012) toont hij aan, dat Joden niet alleen geloofsbroeders zijn, maar gewoon een echt volk. Dat verbaast mij niet want zo heb ik het zelf ook altijd gevoeld. Maar dat wetenschappelijk aantonen is weer andere koek. Ik heb zelf ook meegedaan aan enkele van deze genetische onderzoeken. Interessant was dat bleek, dat Asjkenazische Joden heel direct met elkaar verbonden zijn. Het schommelt tussen een verwantschap, vergelijkbaar met vijfde- of zesdegraads neven.

Culturele gemeenschap? Kritiek bleef uiteraard niet uit. De Israëlische historicus Shlomo Sand vond het Joodse volk eigenlijk alleen maar een geloofsgemeenschap zonder veel fysieke grondslag. Ostrer toonde aan, dat er wel degelijk een duidelijke gemeenschappelijke lichamelijke component in het Joodse volk aanwezig is. Ostrer was blij Sands bewering te hebben ontkracht dat het Joodse volk slechts een cultuurgemeenschap zou zijn.

Halacha en DNA Mijn persoonlijke vraag is meer halachisch (Joods-juridisch) van aard. Erkent de halacha – de Joodse wet – een DNA test als doorslaggevend bewijs voor het Jood-zijn van een persoon?

De internationaal bekende geleerde
Rabbi Osher Weiss heeft hierover tijdens het Rabbinale Congres van de Conference of European Rabbis te Amsterdam in mei van dit jaar uitvoerig over gesproken. Het zou voor vele onderduikkinderen die door het vernietigen van hun papieren maar niet kunnen aantonen dat ze als Joodse kinderen geboren zijn, een uitkomst zijn. In de Europese rechtspraak wordt DNA als bewijs gezien maar je Joodszijn met een DNA test aantonen is in de halachische literatuur een groot twijfelpunt.

DNA testen in het Beit Din, de Joodse rechtbank
Laten we eenvoudig beginnen. Met DNA kan men ook in het Bet Dien, de Joodse rechtbank veel aantonen. Wanneer een zoon of dochter zijn of haar echte vader wil opsporen kan hij een DNA test aanvragen. Maar dat kan een risico opleveren. Wanneer de DNA test uitwijst, dat hij een mamzeer (bastaard) is, is hij nog verder van huis. Hier hebben onze Wijzen een halachische oplossing gevonden. Omdat de DNA testen niet voor de volle honderd procent sluitend zijn, wordt bij een verkeerd testresultaat niet aangenomen dat het kind een mamzeer is omdat de Tora eist dat een mamzeer een zekere mamzeer moet zijn, hetgeen de DNA test nu eenmaal niet kan waarmaken. Maar voor financiële claims is iets minder bewijs ook voldoende. Daarom is een vaderschapstest met DNA een bewijs voor een alimentatieclaim van een van de kinderen. Ook voor de identificatie van slachtoffers van terreur is een DNA test voldoende om de identiteit van het slachtoffer vast te stellen, hetgeen helaas weer praktijk werd bij de aanslag op de Twin Towers en bij vele andere aanslagen.

Maar Joodszijn aantonen met een DNA test is echter niet goed mogelijk. De wereldberoemde Rabbijn Osher Weiss uit Jeruzalem werd geconfronteerd met deze materie door een vraag van Rabbi Jehoram Ulman, de voorzitter van het Rabbinale hof in Sydney, die weer een vraag kreeg over een meisje in Zweden, dat nu met een Joodse jongen uitging. Het meisje, Kasha, vertelde de rabbijn, dat ze altijd in de familie geheimzinnige verhalen gehoord had over Joodse roots. Haar overgrootmoeder en grootmoeder van moederskant moesten Joods zijn geweest maar konden dat door alle gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog niet meer aantonen. De buren wisten ook dat de overgrootmoeder en grootmoeder Joods waren maar waren door ouderdomsgebreken niet meer in staat dat aan de rabbijn te vertellen. Rabbi Ulman hield Rav Weiss voor, dat de wereldvermaarde 20e-eeuwse geleerde, Rabbi Moshe Feinstein altijd gesteld had, dat men op drie manieren Joodszijn kon aantonen: door documenten, door Joodse namen en door Joods gedrag. De Zweedse Kasha had geen van deze bewijzen maar wilde haar oorsprong toch kennen. Rabbi Ulman was onder de indruk van haar verhaal en had Kasha voorgesteld om de DNA test te doen om haar Joodse roots aan te tonen. De test wees uit dat haar haplotype (de unieke combinatie van allelen op een chromosoom) Joods genoemd kon worden omdat dit haplotype veel meer voorkomt bij Joden (54 op de 1500) dan bij niet-Joden (7 op de 51.000). Maar zoals al duidelijk wordt uit de formulering van de DNA testuitslag: het gaat hier om een schatting en een interpretatie van de feitelijke gegevens. Rabbi Osher Weiss ging op halachisch onderzoek uit.

Kan men mensen op hun woord geloven?
Rav Weiss stelt in eerste instantie, dat de halacha van mening is, dat men in principe iedereen die hier onbekend is en naar sjoel, het Rabbinaat, de Joodse gemeente of het Beth Din komt en zegt dat hij of zij Joods is, geloofd moet worden. Tegenwoordig is er echter veel fraude of hebben niet-Joden onder omstandigheden er belang of voordeel bij om onterecht te verklaren dat zij Joods zijn. Daardoor zijn de Rabbinaten heel voorzichtig geworden en verlangen veel meer bewijs. De hoofdregel luidt, dat “iedereen, die komt en zegt, dat hij Joods is, geloofd moet worden”. Rabbi Chaim van Volozhyn maakt hierbij echter de voorwaarde, dat dit alleen geldt als de kandidaat Joods doet en Joods spreekt. Het moet duidelijk zijn uit zijn of haar gedrag en spreken, dat hij of zij Joods is. De Chazon Iesj (Rabbi Avraham Jesjajahoe Karelits) is het hier onder de huidige omstandigheden niet mee eens. Op grond van zijn ervaringen met Joden uit de voormalige USSR eist hij zelfs dát niet en gaat hij er van uit, dat de kandidaat Joods moet overkomen en een Joodse uitstraling moet hebben zodat het Beth Din en andere mede-Joden er gedurende minimaal dertig dagen van overtuigd raken dat de kandidaat werkelijk Joods is en er geen twijfel meer over bestaat, dat hij of zij Joods is.

Antecedentenonderzoek is Rabbinaal van aard
Rav Weiss trekt dit door en stelt, dat hij uit de ervaring van vele mensen die bij Joodse instanties werken weet, dat de hoofdregel dat “iedereen, die komt en zegt, dat hij Joods is, geloofd moet worden” nog steeds geldt. Hoewel er steeds meer gevallen van fraude bekend worden, en de rabbijnen onderzoeksplicht en antecedentenonderzoek ingesteld hebben, toch is de hoofdregel nog steeds intact. Maar in ons geval van de Zweedse Kasha helpt dit ons niet veel want zij heeft nooit beweerd dat zij Joods is, gedraagt zich niet als Joodse en had zichzelf nooit als Joods beschouwd. Het enige wat zij wist is dat er in de familie altijd gefluisterd werd, dat zij van Joodse grootouders stamden. De hoofdregel luidt dat “iedereen, die komt en zegt, dat hij Joods is, geloofd moet worden” maar dit wil niet zeggen, dat “iedereen, die komt en zegt, dat zijn overgrootmoeder Joods was, geloofd moet worden”. Dat er geruchten waren, dat de overgrootmoeder en de grootmoeder (wellicht) Joods waren, is te weinig grond voor een Joodsverklaring.

Umdena – inschatting
Rav Weiss laat het hierbij niet zitten en keert iedere halachische steen om om maar aan te tonen, dat wij Kasha misschien wel op haar woord als Jodin moeten aannemen. Hij gaat in op het concept “umdena” – inschatting. Soms hebben we voor het vaststellen van de feiten geen twee getuigen nodig maar volstaat een andere vorm van (volstrekte) zekerheid. Soms worden indirecte bewijzen die zonneklaar uit de omstandigheden blijken, als harde feiten geaccepteerd. Maar geruchten en familiegeheimen zijn te weinig grond om een Joodse identiteit aan op te hangen, zelfs niet in het geval van onze Kasha die oprecht en zonder enig idee van de strekking en reikwijdte van haar bewering, aan het Rabbinaat vertelde, dat haar overgrootmoeder in moederlijke lijn Joods is.

Het verhaal van het slagveld Soms worden zulke oprechte en belangeloze mededelingen wel serieus genomen, zelfs in het geval van bijvoorbeeld een onbestorven oorlogsweduwe. Wanneer een getrouwde man niet van het slagveld terugkeert en een niet Joodse medesoldaat aan anderen als verhaal vertelt hoe zij samen in de loopgraven lagen en zijn Joodse medesoldaat door een granaat getroffen werd, is dat al voldoende bewijs van het overlijden van de Joodse man, op basis waarvan zijn vrouw kan hertrouwen. Waarom wordt deze soldaat wel geloofd? Omdat we hier aan de ene kant horen van een spoorloze verdwijning van een soldaat en aan de andere kant een plausibele mededeling krijgen over zijn dood. In zo een geval is het aannemelijk dat beide kanten van de vermissing op elkaar aansluiten en kan men redelijkerwijs tot de conclusie komen dat het verhaal van de soldaat klopt. Bij onze Kasha gaat deze redenering echter niet op.

De meerderheid – roeba
De Tora stelt, dat we ‘de meerderheid moeten volgen’ – acharee rabbiem lehatot (Ex. 23:2). De statistiek die ten grondslag ligt aan de DNA resultaten, is gebaseerd op dit meerderheidsprincipe, dat de halacha zeer vaak gebruikt om tot beslissingen te komen. Waarom zouden we Kasha`s Joodszijn niet op het roeba-meerderheidsprincipe kunnen baseren? Rabbi Weiss maakt onderscheid tussen het puur wetenschappelijke meerderheidsbegrip en het Joods halachische meerderheidsbegrip. Het puur wetenschappelijke meerderheidsbegrip luidde dat Kasha’s haplotype Joods genoemd kon worden omdat haar haplotype wel bij 54 op de 1500 Joden voorkwam maar slechts bij 7 op de 51.000 niet Joden.

Het Joodse meerderheidsbegrip
Rabbi Weiss toont aan, dat het Joodse meerderheidsbegrip niet zo globaal redeneert maar veel concreter, specifieker en individualistischer werkt. Hij geeft het voorbeeld van 10 vondelingen in een stad waar de meerderheid (60%) van de inwoners niet Joods is en 40% Joods. De statistiek zou dan stellen, dat de logica dicteert dat 6 van de 10 kinderen niet Joods moeten zijn en 4 Joods. In het omgekeerde geval (60% Joods en 40% niet Joods) zouden 6 kinderen Joods en 4 niet Joods zijn.

Individualistischer
Het Joodse meerderheidsbegrip werkt veel individualistischer. Elk kind dat gevonden wordt, wordt apart beoordeeld waarbij we kijken naar de meerderheid van de inwoners van de stad waar de vondeling gevonden wordt. Is de meerderheid Joods, dan is het kind Joods. Is de meerderheid niet Joods dan is het kind niet Joods. Wanneer 10 vondelingen aangetroffen worden in een stad waar de meerderheid (60%) van de inwoners niet Joods is en slechts 40% Joods, dan zijn alle vondelingen na telkens weer een individuele beoordeling allemaal niet Joods. In het omgekeerde geval (60% Joods en 40% niet Joods) zouden alle 10 gevonden kinderen Joods zijn.

Meer niet Joodse haplotypen op de hele wereld Rabbi Weiss toont aan dat in het geschetste geval van Kasha ook de logica van de statistische meerderheid zou dicteren dat zij niet Joods moet heten. Want als wij naar de totale hoeveelheid van alle Joodse en niet Joodse haplotypen op de wereld gaan oordelen, blijken er uiteindelijk meer niet Joodse haplotypen van Kasha’s soort rond te lopen dan Joodse. Het Jodendom omvat maar een uiterst klein aantal mensen. Kasha’s haplotype kwam bij 54 op de 1500 Joden voor tegen slechts bij 7 op de 51.000 niet Joden, dus procentueel vaker bij Joden. Maar als wij naar de totale (wereld)bevolking kijken, lopen er concreet meer niet-Joden met dit haplotype rond dan Joden. Een beroep op het meerderheidsprincipe moet volgens Rav Weiss dus falen.

Simaniem – herkenningstekens
Het Jodendom gaat vaak uit van herkenningstekens. Hoe weten we dat een zoogdier kosjer is? Als hij of zij herkauwt en gespleten hoeven heeft. Wanneer is een vis kosjer? Als hij of zij schubben en vinnen heeft. Kunnen we Kasha’s haplotype niet als een siman – herkenningsteken zien? Bij herkauwende zoogdieren met gespleten hoeven of vissen met schubben en vinnen is er sprake van duidelijk waarneembare herkenningstekens. Een haplotype is een waarschijnlijkheidsberekening, die bovendien nog geïnterpreteerd moet worden door experts. Ook het haplotype als herkenningsteken faalt als sluitend bewijs.

De dubbele twijfel – sfek sfeka
Rabbi Ze’ev Litka, een leerling van Rabbi Weiss, wilde Kasha’s haplotype nog aanvaarden op grond van een dubbele-twijfel-redenering, als volgt: Kasha zou kunnen afstammen van een van die vier (Joodse) oermoeders, die aan de wieg van het Europese Jodendom stonden. Ook als dat niet het geval is en Kasha’s oermoeder niet Joods was, kan een van haar oermoeders in de loop van de geschiedenis Joods zijn geworden waardoor Kasha ook weer Joods zou kunnen zijn.

Honderd procent sluitend Rabbi Weiss wijst ook deze redenering af als te onzeker als bewijs. Maar hij eindigt zijn tesjoewa (responsum) met de verheugende opmerking, dat wanneer de DNA testresultaten voor honderd procent sluitend zijn deze wellicht wel als bewijs voor Jodendom zouden kunnen gelden.

Bron: NIK

©Dayan Evers 2017

  Website
 
Inloggen
Zoeken
Contact
Links
Copyright © 2018 Jodendom Online, Alle rechten voorbehouden.