14 Adar 5779 | 21 maart 2019
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Tehilliem/Psalmen 22
Publicatiedatum: woensdag 01 februari 2017 Auteur: redactie | 501 keer gelezen
Redactie, Poeriem, Media_Halacha en Ethiek, Media_feest en gedenkdagen, Tehilliem/Psalmen »

Afbeelding: graf van Mordechai en Esther

Tehilliem 22 is een profetische Tehilliem wat op de eerste plaats Dawied Hamelech de gebeurtenis rond Poeriem door de Roeach Hakodesj heeft voorzien. Ook haalt deze Tehilliem de voor Dawied Hamelech toekomstige gebeurtenis van de Babylonische en Perzische ballingschappen in het algemeen aan.

Toen Dawied Hamelech vluchtte voor zijn zoon Avshalom, werd hij door Shimi ben Gera uit de stam van Binjamin vervloekt. Hoewel hij hiervoor de doodstraf verdiende, liet Dawied Hamelech hem leven [Sjmoe'el/Sam. II 16:5-13], omdat hij door de Roeach Hakodesj zag dat Mordechai van Shimi ben Gera afstamde [Megilla 13a]. In Esther 2:5 staat ook duidelijk geschreven: “Mordechai, de zoon van Yair, de zoon van Shimi.” Dawied Hamelech liet zijn eigen waardigheid varen in het belang van de redding van zijn volk.

De Gaon van Wilno heeft daarom besloten dat deze Tehilliem de Tehilliem van de dag is wanneer het Poeriem is [Maaseh Rav no. 250].

'Aljelet Hasjachar...” [pasoek 1] is een verwijzing naar een melodieuze instrument dat langzaam en heel subtiel begint met een lage toon die langzaam krachtiger wordt in volume. Dit instrument staat volgens Meiri parallel met het licht van de vroege morgen dat langzaam opkomt totdat een climax bereikt door de verblindende zon. Yalkut Shimoni legt naar aanleiding van Megillat Esther 1053 uit dat de naam Esther komt van 'Istahar', wat een heldere ster is.

In pasoek 2 staat Esthers tefilla, gebed, centraal. Noodlottige berichten verzegelden de ondergang van de Joden en deze werden ondertekend en verstuurd op de dertiende dag van Nissan. Esther beval dat alle Joden drie dagen moesten vasten, bidden en berouw tonen en wel op de dertiende, veertiende en de vijftiende van Nissan [Pirkei d'Rabbi Eliezer hfst. 50 zie Rashash op Talmoed Megilla 15a]. Alleen Mordechai protesteerde, omdat Pesach op de 15e Nissan valt. Hierdoor is vasten verboden op 15 Nissan. “Als er geen Israël meer bestaat, dan zal er zeker ook geen Pesach bestaan!” [Midrasj]

"Eli eli 'azavtanie rachoq miesjoe'atie divrej sja'gatie... mijn G'd, mijn G'd, waarom heb Jij me verlaten, ver van mijn redding, van de woorden dat ik uit schreeuwde...”. Toen Esther op weg ging naar de troonzaal van Achrosjverosj, passeerde Esther een soort kapel dat vol afgoden stonden en opeens verliet Roach Haskodesj Esther waardoor zij deze pasoek uitsprak. Hiermee heeft Esther Hasjems krachtige Eigenschap van Genade aangeroepen waarmee het lot van de Joden [de ondergang] – die in de Hemel al vast stond – kunnen veranderen [de glorieuze overwinning op hun vijanden].

 “Aloqai 'eqra' jomam welo' ta'aneh welajlaj welo' doemijah lie...Oh mijn G'd! Ik roep overdag en Jij antwoordt mij niet en 'snachts is er geen stilte voor mij...” [pasoek 3]. Volgens rabbi Joshua ben Levi komt van deze pasoek dat wij de verplichting hebben Megillah tijdens Poeriem zowel na zonsondergang als de volgende dag overdag lezen [Megillah 4a]. Rasji leert dat deze pasoek ons ook doet herinneren aan de situaties waarin een wonder geschiedde wanneer wij dag en nacht om hulp van Hasjem roepen.  

We'anochie tola'at welo' 'iesj... maar ik ben een worm en geen mens...” [pasoek 7]. De Heilige Geprezen is Hij zei tegen Bnej Jisrael: “Ik verlang alleen naar jou, want ook al zegen Ik jou met grootheid, jij blijft nederig voor Mijn Aangezicht. Ik schonk Avraham met grootheid en hij zei dat hij slechts stof en as is [Bereesjiet/Gen. 18:27]. Ik schonk Mosje en Aharon grootheid en zij zeiden: 'En wat zijn wij?' [Sjmot/Ex. 16:7]. “Ik schonk Dawied grootheid en hij zei 'we'anochie tola'at welo' 'iesj...' Echter, toen Ik de volken tot grootheid verhief, groeiden zij met een overdreven trots” [Choellin 89a].  

Want “mibeten 'elie 'attah... vanaf mijn moeders baarmoeder ben Jij mijn G'd!” [pasoek 11]. Zoals eerder geleerd had Esther als twee keer tot Hasjem geroepen: “eli, eli.” Hier roept ze Hasjem als 'mijn G'd' voor de derde keer aan. Midarsh Shocher Tov leert dat Esther hiermee naar de drie mitswes van de vrouw zinspeelde: niddah, challah en hadlaqat nerot... rituele reinheid, scheiden van de challah en het aansteken van de Sjabbat kaarsen.  

Toen Haman het besluit tegen de Joden had afgevaardigd, zei Esther: “kamajiem nosjpachtie... ik word als water uitgeschonken...” Haar hart was als wax en smolt in haar ingewanden [pasoek 15] “En de koningin was zeer bang...' [Esther 4:4]. 'Me'aj...ingewanden' is een verwijzing naar de embryo dat wordt gedragen door een zwangere vrouw. Hiermee wordt door Tehillot Hasjem gerepliceerd dat Esther bij het horen van de plannen van Haman, een miskraam kreeg. “Kie svavoenie klaviem... want honden omsingelen mij...” [pasoek 16]. De Geleerden vergelijken de nakomelingen van Amaleq met een hond. “Hij wordt 'Amaleq' genoemd omdat het samentrekking is van de woorden 'am sjeba' laloeq' … het volk dat kwam om te likken het bloed van de Joden als een bloeddorstige hond [Tanchuma Ki Teitzei].  

'Asaper kol 'atsmotai... ik tel al mijn beenderen [lett. ik vertel al mijn beenderen]...” [pasoek 18] Deze Tehilliem bevat precies 248 woorden, wat parallel gaat met de 248 beenderen van een menselijk lichaam. Wanneer Esther zichzelf voorbereid voor de confrontatie met Achasjwerosj, trekt zij zichzelf op naar een niveau van spirituele extase. Wanneer zij zichzelf onderzocht en haar beenderen telde, toen ontdekte zij dat ieder deel van haar lichaam was doordrongen met de Roeach Hakodesj, de Heilige Geest [Rabbeinu Eliezer van Worms].  

Jechleqoe vegadaj lahem... zij verdeelden onderling mijn kleren...” [pasoek 19]. Toen Esther onaangekondigd op weg ging naar de troonzaal voor die confrontatie met de koning, had ze hiermee eigenlijk haar dodelijk lot bezegeld. Daarom zeiden leden van de hofhouding onderling: “Ik neem haar kleding.” “Dan neem ik haar sieraden,” en “haar halsketting is van mij!” De vierde claimde haar koninklijk mantel.   Esther zei: “bevrijd me uit de greep van de hond”. De hond is een verwijzing naar de Amalekiet Haman, omdat de Talmoed de lasteraar gelijk stelt aan een hond: “wie kwade roddels verspreid, die verdient om voor de honden gegooid te worden” [Megillah 13b]. Ook wordt er gezegd: “Niemand was zo goed in het verspreiden van kwade roddels als Haman” [Tehilla L'David]. Toen Ja'aqov een ontmoeting had met zijn broer Esaw, de voorvader van Haman, smeekte Ja'aqov: “Hatsilenie n'a mijad... bevrijd mij uit de hand [van Esaw]” [Bereesjiet/Gen. 32:11]. De woorden hatsilenie n'a mijad vormen een acroniem voor Haman. Hetzelfde zien we terug in Tehilliem 33:19: “Lehatsiel mimawet nafsjam [beginnend met de 'h' in 'lehatsiel'. De 'le' is namelijk een voorzetsel]... het bevrijden van zielen van de dood...”. Dan eindigt deze pasoek met: “oelzhajotam bara'v... om ze met honger in leven te houden...”. De numerieke waarde van 'bara'av is 274, wat gelijkstaat met de numerieke waarde van Mordechai. Het was voor drie dagen de honger en het steevast vasten van Mordechai wat de zielen van Bnej Jisrael redden van de dood die door Haman was gepland.  

'Asafrah sjimcha l'echaj... Ik zal Jouw Naam aan mijn broeders proclameren...” [pasoek 23]. Wanneer Jij mij redt van de schepselen van de Babylonische ballingschap, de honden, leeuwen en r'eimiem [wat voor dier dit is, zijn de meningen over verdeeld], dan zal ik hiervan bij mijn broers die niet in deze ballingschap waren, getuigen. We spreken hier over de Joden van de Tien Verloren Stammen die ooit in Chalach en Chabur waren, ver van het rijk van Nevoechadnessar. Verder ben ik op dit moment onder mijn broeders in ballingschap, dat wil zeggen 'Edom [Rome] en Jisjma'el [Arabieren], die beide afstammelingen zijn van mijn voorvader Avraham Avinoe. Ook aan hen zal ik getuigen van Jouw redding [Radak].  

Jir'ej Hasjem... jij die ontzag heeft voor Hasjem...” [pasoek 24]. Volgens Rasji wordt hiermee de geriem, Joden die uit zijn gekomen, bedoeld. Vele geriem kwamen over toen zij zelf getuigen waren van de miraculeuze redding van de Joden: “en vele van de mensen in het land werden Joods, omdat de angst voor de Joden op hen was gevallen” [Esther 8:17].   De nederige zal eten en voldaan raken [pasoek 27]. Volgens Radak is de nederige een verwijzing naar de Joden die door de hoogmoedige Baveloniers werden vertrapt. Toen de Bavelse rijk omver werd gehaald door Darius [Darjavesj] en Cyrus, nam Cyrus de schatten van de Bejt Hamiqdasj van de Baveloniers af en gaf het aan de Joden terug. Ook gaf hij hen toestemming om de Bejt Hamiqdasj weer te herbouwen. Daarom zal Israel “jo'chloe … wejisba'oe...eten … en voldaan raken” met haar meest waardevolle bezittingen [van de Bejt Hamiqdasj]. En na het eten en drinken, zullen zij onderwerpen uit de Tora bespreken en Hasjem toezingen. Bij gojiem is dat heel anders. Wanneer zij eten en drinken, dan gaan zij obscene onderwerpen bespreken. Dit deden zij ook bij het feest van Achasjverosj. Zij begonnen over de schoonheid van hun vrouwen op te scheppen, waardoor koningin Vasti, wat zij trouwens weigerende, zich naakt aan de feestgangers moest vertonen [Megillah 12b]. 

Oemosjel bagojiem... en Hij regeert over de volkeren...” [pasoek 29]. De Gaon van Wilno maakt hier de volgende differentiatie tussen een melech [koning] en een mosjel [regeerder]. De koning wordt als leider geaccepteerd. Bnej Jisrael accepteert Hasjem als Koning der koningen met vreugde. Want het koningschap behoort tot Hasjem” . Maar de mosjel is iemand die zichzelf opdringt aan het volk. Vele gojiem willen helemaal niet zichzelf onderwerpen aan Hasjem. Daarom zegt Dawied Hamelech “Oemosjel bagojiem... en Hij regeert over de volkeren...”.   

Maar in de toekomst zal Hasjem Koning zijn over de hele aarde [Zacharjah 14:9] en dan zullen de gojiem Hem gewillig aanvaarden als Koning. Want iedereen die omlaag gaat tot het stof, zal knielen voor Hem [pasoek 30]. Rasji verwijst 'iedereen; naar degene die vijand zijn van de Tora en volgens Radak zij het degene die Joods bloed hebben verspild. Hun zielen gaan “lefanajw jichnajw kol jordej 'afar”, betekende: hun zielen zullen neerdalen naar de Gehinnom en zullen nooit, nooit meer vrijkomen [zowel Rasji als Radak]. “Wenasfsjoe lo' chajah... en Hij zal zijn ziel niet doen herleven...” Hasjem leert ons in Sjmot/Ex. 33:20 dat wij Hem nooit kunnen zien en dan vervolgens in leven blijven, maar wanneer zij doodgaan en de ziel verlaat het lichaam, dan “zal je Mij zien”. Zij zullen bij hun dood Hasjem voor hen zien... “Want dan zal Hasjem zijn ziel niet meer in leven houden.” 

Javo'oe wejagiedoe tsidqato... zij zullen komen en over Zijn rechtvaardigheid vertellen...” [pasoek 32]. De eerdere generaties zullen komen om aan de latere generaties over Zijn rechtvaardigheid vertellen. Degenen die uit alle hoeken van de aarde komen, zullen zal G'ds goedheid aan de kinderen vertellen, omdat zij de grote daden van Hasjem niet hebben gezien [Radak].    

De volgende sjioer geeft Rabbi Mizrachi uitleg over zowel Tehilliem 21 tot en met 25 [Tehilliem 22 begint op de 13e minuut]. Hij weet de Tehilliem altijd in onze huidige tijd te plaatsen.

©Jodenom-online 2017

Copyright © 2017 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2019 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.