14 Siewan 5784 | 18 juni 2024
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Auteursrecht in het Jodendom
Publicatiedatum: dinsdag 05 september 2023 Auteur: Opperrabbijn Evers | 1.312 keer gelezen
Halacha, Opperrabbijn R. Evers, De Onafhankelijkheidsoorlog »
Waarom het belangrijk is dat rabbijnen andere rabbijnen uitgebreid citeren?
De laatste, 613e opdracht uit de Tora, luidt: “Iedereen moet een Tora-rol of boek voor zichzelf schrijven

G’d wil dat iedereen gratis kopieert
Het auteursrecht in het Jodendom kent een lange en bonte geschiedenis. Wij zijn het volk van het Boek. Ons ontstaansrecht begint bij een tekst. Een tekst, die niet uit een studeerkamer ontspruit, maar midden in de woestijn gegeven is door G’d zelf. Hier ontstond het gevleugelde gezegde: ‘net zoals de woestijn van niemand is, kan ook niemand zich de exclusieve eigenaar van de Tora noemen’.

Het opvallende is dat de Talmoed van deze ‘grondwet van het Jodendom’ stelt, dat G’d, de auteur van deze tekst, niets anders wil dan dat deze tekst eindeloos, door iedereen in iedere generatie weer, gekopieerd en geciteerd wordt. Schrijf en blijf
De laatste, 613e opdracht uit de Tora, luidt: “Iedereen moet een Tora-rol of boek voor zichzelf schrijven”, aldus Sefer Hachinoech, een anonieme rabbijnse tekst uit de dertiende eeuw, waarin alle 613 geboden uit de Tora staan beschreven (zie ook Maimonides, Sefer hamitswot, het boek van de geboden, gebod 18). Als men een Torarol zelf kan schrijven, dan moet men dat doen. Anders moet men het uitbesteden aan een professionele sofer (schrijver). Als men het eigenhandig kan schrijven is dat zeer prijzenswaard en wordt het beschouwd alsof men de Tora als het ware zelf van de berg Sinaï gekregen heeft (B.T. Menachot 30a). Hierover staat er geschreven (Deut./Devarim 31:19): “En nu, schrijf voor u dit lied op en leer het de Israëlieten; leg het hun in de mond, opdat dit lied voor Mij een getuige is tegen de Israëlieten “.

De bedoeling van dit vers is: schrijf de hele Tora op, waarin dit lied Ha’azinoe (Deut./Devarim 32) beschreven wordt. En onderwijs het iedere generatie weer opnieuw, gratis.

Geen financieel auteursrecht
G’d wilde, aldus Sefer Hachinoech, dat iedereen thuis een Torarol heeft om er iedere dag uit te lezen en te ‘lernen’. Als men een Torarol in huis heeft, komt men er automatisch toe om dit regelmatig te bestuderen, zodat men G’d leert vrezen en de ge- en verboden goed kent. Hoewel veel mensen Torarollen van hun ouders erven, wil G’d toch dat iedereen in elke generatie weer zelf een Tora schrijft, opdat er veel boeken aanwezig zullen zijn, zodat men die ook kan uitlenen aan anderen.

Fraaier
Bovendien is een nieuwe, pas geschreven tekst meestal fraaier dan een antieke Torarol zodat het aangenamer lezen is. Sefer Hachinoech vervolgt met de opmerking, dat dit niet alleen voor de Toratekst geldt maar ook voor alle verklaringen en uitleggingen op de Tora. Waar het op neerkomt is, dat het Jodendom propageert, dat wij geen auteursrechten kennen op alle joodse bronnen, waarin de Tora wordt uitgelegd. Al deze teksten omvatten ongeveer de hele traditionele literatuur.

Hoe onderwees ik jullie? Gratis en voor niets!
En overal geldt hier het bekende Talmoedische adagium, dat G’d en Mosje verklaarden: “Hoe onderwees ik jullie? Gratis en voor niets! Zo moeten jullie het ook zonder vergoeding verder onderwijzen aan de komende generaties, voor niets” (B.T. Nedarim 37a). Kort samengevat betekent dit voor vrijwel de gehele klassieke joodse literatuur, dat er
- Een ongebreidelde kopieerplicht geldt,
- Er geen enkel financieel auteursrecht op geldt,
- En dat er een onbeperkte gratis onderwijsplicht bestaat, die altijd en overal, niet gehinderd door landsgrenzen, voorschrijft om deze teksten belangeloos door te geven en te praktiseren.

Dit gaat zover, dat de Talmoed (B.T. Bechorot 29a) zonder blikken of blozen stelt, dat als een rabbinale rechter, een dayan, beloning vraagt voor zijn juridische diensten, dit leidt tot een ongeldig vonnis. Een gecompliceerde rechterlijke uitspraak wordt ter plekke waardeloos wanneer de betrokkenen hiervoor een vergoeding vragen.

De praktijk is echter gecompliceerder
Maar het Jodendom zou het Jodendom niet zijn als een en ander zo simpel was. De praktijk zag en ziet er toch anders uit. De eerste vraag luidt waarom het belangrijk is dat rabbijnen andere rabbijnen uitgebreid citeren.

Het belang van de joodse traditie
Rabbijnenliteratuur is citatenliteratuur was altijd al een gevleugeld gezegde. De betekenis hiervan mag men niet onderschatten. Het heeft te maken met het belang van de joodse traditie. De joodse overlevering is zo krachtig omdat deze uiteindelijk gebaseerd is op het pure woord van G’d. Ook de interpretatie van de Tora is aan Mosje op de berg Sinaï meegegeven en uiteindelijk, rond 200 opgeschreven in de Misjna, de mondelinge Leer en omstreeks 500 in de Talmoed, het commentaar op de mondelinge Leer. Alles komt van Boven, onvervalst en authentiek.

Iedere menselijke inbreng is taboe
Ieder, die het waagt zijn eigen uitleggingen als gezaghebbend te beschouwen, maakt een zeer ernstige inbreuk op de joodse traditie. Zodra een rabbijn of geleerde zijn eigen fantasieën, hoe geniaal ook, op de zuivere traditie projecteert, corrumpeert hij de oorspronkelijke traditie. Daarom kunnen rabbijnen de teksten in moderne en aansprekende termen uitleggen en voordragen. Maar iets zelf wijzigen in de originele betekenis van de traditionele woorden, zou een doodzonde betekenen.

Alles moet zuiver G’ddelijk blijven
Daarom is de joodse traditie zo puur gebleven. En zo moet dit blijven. Iedere moderne rabbinale uitleg begint met een vers uit de Tora zelf of een citaat uit de Talmoed. Alles wat wij produceren, moet daarop gebaseerd zijn. Daarzonder verliest iedere rabbinale uitspraak elke waarde en wordt het zelfs ‘apikorsut’ of ketterij. De rabbinale wereld is hier zeer streng in. ‘Schrijf of verga’ wordt bij ons ‘citeer of verga’. Het klinkt wat extreem maar dit is de rabbinale realiteit.

Het meningsverschil over auteursrecht
Deze langdurige inleiding is nodig om enkele basisprincipes uit het Jodendom te begrijpen. Over de vraag of er copyright bestaat in het Jodendom bestaat een meningsverschil. Ondanks voorgaande stellen sommige traditionele Geleerden, dat ieder mens een onbeperkt copyright heeft op al zijn geestelijke producten. De befaamde ‘Scho’ejl uMeischiv’, Rabbi Josef Nathansohn (1808-1875) stelt onomwonden, dat ieder schrijver auteursrechten heeft ‘voor eeuwig’ (Responsa ‘Scho’ejl uMeischiv’ I:44). Hij vergelijkt dit met iedere andere uitvinding of elk product, waarover de oorspronkelijke maker, volledig recht heeft. Hij beargumenteert met het argument, dat dit bij alle volkeren geaccepteerd recht is en dat onze Tora hier niet anders over denkt.

Rabbi Schmelkes bekijkt dit genuanceerder
De ‘Beet Jitschak’, Rabbi Jitschak Schmelkes (1827-1905) denkt hier echter anders over en stelt, dat er ‘geen intellectueel eigendom bestaat’ omdat intellectuele producten geen tastbare, concrete objecten zijn en hier geen eigendomsrechten op geldig gemaakt kunnen worden. Natuurlijk erkent deze laatste autoriteit, dat men eigenaar is van zijn fysieke geschriften maar niet van de spirituele inhoud van zijn of haar werken. Zodra een ‘originele gedachte’ gepubliceerd is en gemeengoed geworden is, is dit door de originele bedenker vrijgegeven voor iedereen, zodra hij zijn boeken verkocht heeft.

Duidelijke beperking
Hier geldt echter een duidelijke beperking. Wanneer de auteur duidelijk aangeeft, dat hij zijn auteursrechten niet vrijgeeft, houdt hij deze rechten voor zichzelf en geldt een vrij stevig auteursrecht (Beet Jitschak, Jore Dea 75). Maar er zijn nog veel meer details.

Is dit auteursrecht ook een echt financieel recht?
Rabbi Sjimon Sofer (1820-1883) borduurt hierop verder en stelt, dat dit auteursrecht inderdaad bestaat maar dat dit niet veel meer dan ‘tovat hana’a’, een soort ‘goodwill’-recht is, dat bijvoorbeeld niet vererft kan worden aan de kinderen (Responsa Hitorrerut Teschuwa 232).

Niettemin erkent ook hij dat dit auteursrecht, als dit door de overheid als zodanig erkend wordt, weer wel volledig als financieel recht erkend wordt door het joodse recht. Tot zover het intellectuele eigendom over geschriften van niet religieuze aard.

Geschriften van religieuze aard
De ‘Chatam Sofer’, Rabbi Mosje Sofer (1762-1839), stelt echter duidelijk, dat er geen auteursrechten gelden voor verklaringen op de Tora of halacha (de joodse wet) omdat men “hiervoor geen beloning mag vragen en hiervan geen enkel genot mag trekken in deze wereld” (Responsa Chatam Sofeer, Choschen Mischpat 79). Ook de ‘Beet Jitschak’ (Responsa Jore Dea 75 en Choschen Mischpat 80) deelt deze mening dat er bij ‘woorden van de Tora’ geen financiële rechten geldig gemaakt kunnen worden op het intellectuele eigendom vanwege de regel ‘G’d en Mosje deden dit gratis. Zo moet jij dit ook doen’.

Het recht van het land geldt voor iedereen
Niettemin zijn er in de loop der generaties en met name vanaf de 16e eeuw door de Rabbijnen allerlei maatregelen getroffen om de rechten van de uitgevers en de auteurs zo veel mogelijk te beschermen. In ieder geval geldt tegenwoordig, dat het niet-joodse copyrightrecht als ‘leidraad’ geldt ook voor de joodse burgers. Dit is gebaseerd op de regel van ‘Dina Demalchuta Dina’, het seculiere recht geldt uiteraard ook voor de joodse burgers.


Copyright © 2023 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2024 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.