16 Tammoez 5780 | 08 juli 2020
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Tien dagen van inkeer en Jom Kippoer
Publicatiedatum: zaterdag 04 oktober 2008 Auteur: Zwi Goldberg | 6.029 keer gelezen
Jom Kippoer, Tesjoeva [Inkeer] »

(Gebaseerd op gedachten van Rav Nebenzahl)

Op Rosj Hasjana hebben wij over drie vrouwen gelezen, Sara, Rachel en Chana, die alle drie onvruchtbaar waren en die alle drie op Rosj Hasjana in verwachting raakten (zie de Babylonische Talmoed, Traktaat Rosj Hasjana 10b). Wij hebben ook gelezen over minder positieve personages, zoals Hagar en Jisjmael. Het is juist van de geschiedenis over Hagar en Jisjmael dat wij een belangrijke les kunnen leren die ook voor onze tijd van belang is.

Op de eerste dag lazen wij dat Sara „de zoon van Hagar, de Egyptische ... zag metsacheek - spotten (Bereisjiet [Genesis] 21:9). Chazal [onze geleerden, hun aandenken zij ons tot zegen] vertellen ons dat dit „spotten" betrekking heeft op de drie hoofdzonden: afgoderij, incest en moord (zie Bereisjiet Rabba 53:11 - Jisjmael probeerde onder meer Jitschak te vermoorden). Waarom noemt de Tora deze ernstige misdaden metsacheek, hetgeen letterlijk lachen of spotten betekent? Dat zijn toch helemaal geen grappige dingen! Maar kennelijk vond Jisjmael ze wel amusant. Misschien had hij er geen idee van hoe ernstig deze misdaden zijn, en als hij het geweten had, zou hij ze wellicht niet begaan hebben? Maar dat kan niet! Ieder denkend mens weet dat dit ernstige misdaden zijn en wie zich daarover amuseert is een misdadiger. Voor Jisjmael was het allemaal een grote grap. Dat maakte hem schuldig aan afgoderij, want hij begreep kennelijk niet de grootheid van de Schepper. Hij beging deze daden van moord omdat hij de betekenis van te zijn geschapen naar G-ds beeld niet kon appreciëren. Hij moest toch begrepen hebben dat zulke misdaden onacceptabel zijn, ten slotte werd hij opgevoed in het huis van Awraham Awinoe [onze aartsvader Abraham]. Maar hij leerde zijn lessen niet. Een mens heeft de mogelijkheid zijn hart af te sluiten van alles wat hij niet wil horen of weten.

Pas toen al hun water op was, begrepen Hagar en Jisjmael hoe ernstig hun situatie was. Nu was het lachen hem vergaan. De Tora vertelt ons dat Hagar huilde (zie Bereisjiet 21:16) en vermoedelijk huilde Jisjmael ook, zij dreigden om te komen van de dorst! Maar Hasjem liet ter plaatse een bron ontstaan om Jisjmael te redden. Rasji [Rabbijn Sjlomo Jitschaki, 1040-1105] vertelt ons hoe de dienstdoende engelen hiertegen bezwaar maakten en zeiden: „Heer der wereld, zou u een bron doen ontstaan voor iemand wiens nakomelingen uw kinderen van dorst zullen laten omkomen?" En Hij antwoordde hen: „Wat is hij nu, een braaf of een slecht mens?" Zij antwoordden: „Een braaf mens." Hij zei daarop tegen hen: „Overeenkomstig zijn huidige daden zal Ik hem beoordelen." En dat, zegt Rasji, is de betekenis  van „kie sjamá' Elokiem el kol hana'ar baäsjer hoe sjam" [want G-d heeft geluisterd naar de stem van de knaap, waar hij is] (Bereisjiet 21:17). Rasji verklaart de woorden baäsjer hoe sjam - waar hij is - aldus: „Overeenkomstig de daden die hij nu verricht, wordt hij beoordeeld, en niet naar hetgeen hij in de toekomst eens doen zal."

Jisjmael was, zoals wij gezien hebben, verre van een tsaddiek in die tijd, maar hij verdiende het niet om te sterven van dorst op dat moment, en daarom liet Hasjem een bron voor hem ontstaan. Hasjem kan niet om de tuin worden geleid. Hij weet heel goed wat de toekomst zal brengen. Desondanks verkoos Hasjem om Jisjmael in leven te laten, vanwege zijn status op dat moment, ondanks dat hij was voorbestemd om een geweldige morele buiteling te maken en moorden zou plegen, en zelfs zover zou gaan om zichzelf daartoe op te blazen. Maar Hasjem oordeelt niet naar wat iemand later zal doen of naar wat zijn nakomelingen duizenden jaren later voor misdaden zullen begaan. Eén van de eigenschappen van Hasjem is dat Hij de mens beoordeelt „baäsjer hoe sjam" - in zijn huidige staat.

Deze gedachte zou ons moeten aansporen om het niveau van ons eigen gedrag gedurende deze dagen van inkeer wat op te vijzelen. Wat wij kunnen leren van de geschiedenis met Hagar en Jisjmael, is dat ondanks dat Hasjem weet dat iemand in de toekomst zal zondigen, hij beoordeeld word naar zijn status en gedrag gedurende deze tien dagen van rechtspraak - „baäsjer hoe sjam." Hasjem staat op het punt te beslissen wat er het komende jaar met ons gaat gebeuren. Zouden wij ons dan niet wat moeite doen om onszelf wat te verheffen, zelfs al weten wij dat wij een dergelijke houding niet kunnen volhouden na Rosj Hasjana en Jom Kippoer? We worden beloond voor de moeite, en het heeft bovendien effect op onze toekomst, want Hasjem beoordeelt ons naar ons huidige gedrag. En misschien groeien we er ook nog een beetje van.

In de Jeruzalemse Talmoed leren wij hoe Rav Chia aan Rav het advies gaf om altijd choelien [niet geheiligd voedsel] te eten in een staat van reinheid, maar dat hij dat in ieder geval moest proberen te doen gedurende zeven dagen per jaar. De geleerden leggen uit dat deze zeven dagen betrekking hebben op de tien dagen van inkeer (op de beide dagen Jom Tov moeten wij reeds onszelf reinigen en gaat men in het mikwe, en op Jom Kippoer eet men helemaal niet, dus blijven er zeven dagen over). Hieruit leren onze geleerden, dat iemand die de rest van het jaar brood van een niet-Jood eet, tenminste gedurende de tien dagen van inkeer tussen Rosj Hasjana en Jom Kippoer moet proberen kosjer brood te eten (zie ook Sjoelchan Aroech Orach Chaim 603). Hieruit kunnen wij leren hoe belangrijk het is om onszelf ervan te overtuigen om ons niveau wat te verhogen gedurende de Asèret jemei tesjoewa - de tien dagen van inkeer, zelfs al weten wij dat wij dat niet kunnen volhouden. Wie nooit dawwent, kan proberen een beetje te dawwenen gedurende deze dagen of op zijn minst op Jom Kippoer. Wie wel regelmatig dawwent kan misschien niet het hele jaar dawenen, zoals hij dat doet tijdens Neïla [het slotgebed op Jom Kippoer], maar misschien ziet hij toch enige verbetering. We zouden op Jom Kippoer met iets meer kawana - aandacht - kunnen dawwenen en misschien voelen wij dan dat we staan voor de Koning der koningen. En misschien inspireert dat om ook de rest van het jaar met meer kawana te dawwenen.

Deze dagen zijn gevuld met vele „ervaringen" - de Tefillot en de roep van de Sjofar - de ramshoorn. Wij vasten vierentwintig uur, we buigen en werpen onszelf languit op de grond, we zeggen widdoei, we horen vele toespraken. Op Simchat Tora -Vreugde der Wet - dansen wij met de Tora, wij zingen en zijn blij. Is dat alleen een uitwendige ervaring, laat dat geen blijvende indruk achter? Keert de mens dan na de feestdagen weer terug tot zijn vroegere status? Wanneer hij een metsacheek - een spotter - is, dan glijdt alles weer van hem af en laat het geen indruk  achter. Om dat te vermijden moeten we proberen de dingen die wij deze dagen beleven ons eigen te maken, opdat er wat van achterblijft.

Een Amerikaanse toerist bezocht eens Israël. Thuis gekomen vroeg men hem: „En hoe vond je de Kotel - de „klaagmuur," het overgebleven gedeelte van de Tempel - ? Hij antwoordde: „Een muur, als alle andere muren, veel stenen, maar erg oud." Op hem had de Kotel geen indruk gemaakt. De Kotel had niet tot zijn hart gesproken. Wij moeten vermijden dat zoiets ons overkomt met de Jamiem Noraiem - de ontzagwekkende dagen. Wij moeten er voor oppassen dat we deze dagen niet zien als een voorbijgaande gebeurtenis.

In de Selichot - smeekgebeden die gezegd worden gedurende de tien dagen van inkeer - zowel als in onze dagelijkse tefillot, vragen wij aan Hasjem: „milefanecha Malkeinoe reikam al tesjiwenoe" - laat ons niet met lege handen van voor U, onze Koning, terugkeren. Wat bedoelen wij daarmee?

1   |   2   |   3      »      
Copyright © 2008 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2020 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.