22 Chesjwan 5782 | 28 oktober 2021
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Roken en het Jodendom
Publicatiedatum: maandag 11 oktober 2010 Auteur: Dr. Henri Jakubowicz | vertaald en berwerkt door Geert Versyck | 2.687 keer gelezen
Halacha, Gezondheid en sport »

Zowat een halve eeuw later oordeelt een nieuwe generatie religieuze opinieleiders in dezelfde zin. De prominente  rabbijn A.Y. Karelitz (de befaamde ‘Chazon Iesj’) geeft zijn zienswijze als volgt weer: “Ik ben van mening dat het roken van tabak het ademen bemoeilijkt en de luchtwegen verdikt. Daarom dient hiervan afgestapt”. Iets later schrijft rabbijn Moshe Feinstein in een responsum over het roken: “daar het mogelijk ziekteverwekkend is, is onthouding aanbevolen”. Elders benadrukt hij dat “geweten is dat het schadelijk is voor veel mensen”.

Begin deze eeuw werd een lange, gezamenlijke oproep gelanceerd door vooraanstaande ultraorthodoxe rabbijnen uit deze tijd, onder wie de onbetwiste spirituele leiders J.S. Eliashiv, A. Steinman en N. Karelitz. Daarin verzoeken zij hun broeders dringend om de slechte gewoonte niet aan te nemen, “want onze heilige Thora is een Thora van het leven”, en ter staving halen zij Bijbelse woorden aan die onder andere voorkomen in Leviticus 18:5. Met het vrijwaren van de gezondheid mag niet lichtzinnig worden omgegaan, zeker niet wanneer het om iets gaat dat de artsen als daadwerkelijk schadelijk bestempelen, schrijven zij voorts. Concluderend stellen zij: “Al wie zich, en anderen, kan onthouden van het roken is verplicht dit te doen. Wie het al gewoon is, moet met alle middelen proberen daarvan af te raken, en hij moet het roken zeker laten op een openbare plaats, daar waar anderen de rook inhaleren”.

De  opeenstapeling van wetenschappelijke studies over de schadelijkheid van nicotine noopte ook rabbijn S. Wozner, in hetzelfde jaar, tot een scherpe formulering, met een duidelijkere verwijzing naar de medische literatuur. Na het overlopen van de rabbijnse geschriften, in de middeleeuwen en later, over de halachische houding bij mogelijk levensgevaar door het innemen van bepaalde producten, merkt hij op dat het roken zeker in die categorie thuishoort: “Onderzoeken en studies hebben onomstotelijk aangetoond dat sigaretten roken de vroegtijdige dood veroorzaakt van honderdduizenden mensen, en het staat ook vast dat het in grote mate bijdraagt tot ernstige long- en hartziekten, en ook vele andere aandoeningen, zoals uit geneeskundige observaties overal ter wereld blijkt”. Zijn finaal oordeel is dan ook duidelijk: “Halachisch bestaat geen twijfel over het absolute verbod om in de adolescentie, op jonge leeftijd, te starten met roken, en op de ouders, de leerkrachten en de educatoren rust de strike plicht, volgens de Thora, om hen daarvan af te houden. Wie zich deze slechte gewoonte al eigen heeft gemaakt, moet zijn uiterste best doen, voor zijn toekomst, om geleidelijk te stoppen, hij zal er goed bij varen”.

Waarom geen veralgemeend rabbijns rookverbod
Opvallend in het bovenstaande overzicht, dat de toonaangevende ultraorthodoxe rabbijnen uit hun tijd citeert, is de terughoudendheid om een algemene halachische ban uit te vaardigen op het roken. Niet toevallig titelde de joodsorthodoxe krant die recent deze stellingnamen op een rijtje zette: “Grootste rabbijnse leiders tegen het roken”, en niet “…verbieden het roken”. Relatief gespaard blijven immers de mensen die uit gewenning roken. Bewust van het grote probleem gesteld door de addictie aan tabak – een goed bestudeerd en wetenschappelijk onderbouwd fenomeen – gingen de religieuze autoriteiten omzichtig te werk in de formulering van hun oordeel ten aanzien van deze categorie.

De hoger aangehaalde rabbijn Feinstein geeft in zijn oordeel aan waarom hij geen algemeen rookverbod oplegt, dat ook hen die de slechte gewoonte al aangenomen hebben, zou betrekken. Hij wijst op de terugkerende Talmoedische passage die stelt dat “aangezien velen het doen (“dashu bei rabim”), neemt de Almachtige de eenvoudige in bescherming (‘shomer peta’im Hashem’, uit Psalm 116:6)”. De Talmoed haalt inderdaad deze Bijbelse woorden in diverse situaties aan, om een handeling toch toe te staan, al houdt ze een klein risico in. Niet overal is het argument toegevoegd dat “velen het doen”. Deze beschouwingen over het relatieve gevaar van een wijd verspreide praktijk als het roken, en de toepasbaarheid van Psalm 116:6 hierop, uitte rabbijn Feinstein in 1964 (herhaald in 1981). Zij worden gedeeld door rabbijn J. D. Bleich, een expert in joodse medische ethiek, die een parallel maakt met het gevaar bij het oversteken van een straat en bij het autorijden, door de maatschappij aanvaarde handelingen, al zijn ze niet risicovrij. Hij roept desondanks rabbijnen op om met hun moreel gezag bij te dragen tot “de uitroeiing van deze pernicieuze en schadelijke gewoonte”.

Deze opvatting is door de naakte feiten achterhaald, vinden enkele prominente collega’s van rabbijn Feinstein jaren later, nu tabak steeds duidelijker aan zware ziekten gelinkt is. De statistische gegevens zijn zo sprekend dat het feit dat vele mensen roken halachisch irrelevant is geworden, oordelen zij. Niet de Bijbelse zin “de Almachtige neemt de eenvoudige in bescherming” is hier van toepassing, maar het vers uit Spreuken 22:3: “De verstandige ziet (het onheil) en verbergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en worden gestraft”, schrijft de hedendaagse rabbijn Aviner in een lange bijdrage over het onderwerp. Ook de opmerking van rabbijn Feinstein dat een aantal grote Thorageleerden in de voorbije generaties en in zijn eigen tijd rookten, weegt vandaag niet meer door, stelt rabbijn Aviner voorts. In een verder verleden waren de nadelige effecten van tabak immers niet of slechts ten dele gekend. En van de huidige lichting religieuze persoonlijkheden die toch nog rookt, kan gezegd worden dat niet al hun handelingen automatisch navolging verdienen, tenzij ze dit expliciet verkondigen.

De opmerking als zou een rookverbod niet kunnen, omdat het een decreet betreft dat een groot deel van het publiek niet kan implementeren, wuift de rabbijn weg. Het gaat immers niet om een nieuw decreet, maar om de inclusie van een handeling in de lijst van risicovolle, dus verboden gedragingen.

Ook de beschouwing, geuit in de Talmoed, dat een wettelijk kader soms best gemeden wordt, om de daad van de overtreder als onopzettelijk aan te zien, en niet als moedwillig, is hier niet van toepassing, omdat met roken levensgevaar gemoeid is.

Een andere rabbijnse grootheid, S.Z. Auerbach – in zijn visie bijgetreden door de Sefardische spirituele leider rabbijn O. Yossef – voert zijn eigen halachische reden aan om het roken niet te verbieden: het schadelijke effect komt slechts na jaren tot uiting. Deze gedachtegang steunt op de zienswijze van de prestigieuze 19e-eeuwse rabbijn Jacob Ettlinger, die een halachisch onderscheid maakte tussen onmiddellijk en verder afgelegen gevaar. Rabbijn Auerbach wijst het roken wel af in scherpe bewoordingen: “De mens moet uiterste afstand nemen van en zich hoeden voor het roken van sigaretten, want ze schaden het lichaam, met na verloop van tijd levensgevaar als gevolg”.

Als toelichting bij zijn onmogelijkheid om desondanks een rookverbod uit te vaardigen, citeert hij (in navolging van rabbijn Feinstein), een oordeel van Maimonides, de 12e-eeuwse rabbijn en arts. Deze onderstreept hoe slecht sommige voedingsmiddelen wel zijn voor de gezondheid, als een dodelijk gif voor het lichaam, en maant de mensen aan om ze nooit op te eten, maar spreekt geen formeel verbod uit.

De parallel gaat vandaag echter niet op, schrijft rabbijn M. Halperin, expert in joodse medische ethiek. De opinie van rabbijn Auerbach werd immers opgetekend in 1978, en sindsdien is geen twijfel meer mogelijk: het risico van roken is duizenden malen groter dan de schade toegebracht door de absorptie van de ongezonde voeding waaraan Maimonides refereert.

Een zwaargewicht in het gebied is ongetwijfeld rabbijn E. Waldenberg (1915-2006), die honderden responsa wijdde aan joodse medische kwesties, verspreid over meer dan twintig boeken. Als één van de weinige kopstukken spreekt hij zich uit voor een rookverbod: “Als besluit vloeit uit het voorgaande de halacha voort dat er wel degelijk plaats is om het roken te verbieden volgens de wet van de Thora”. Hij includeert in de ban de producenten en de verkopers van tabak.

Sinds enkele jaren hebben de artsen, met het geneesmiddel Champix (niet voor iedereen geschikt), een bijkomend wapen om patiënten te helpen stoppen met roken. Zelfs zonder het uitvaardigen van een formeel rookverbod kunnen ook rabbijnen, met gerichte preken, hun onderdanen op het reële gevaar wijzen, en zo een belangrijke bijdrage leveren in deze strijd op leven en dood. Een gevaar voor het leven weegt immers zwaarder door dan een verbod, leert de Talmoed. Voortbordurend hierop stelt het joodse wetboek Shulchan Aruch dat een mens meer bezorgd moet zijn om een mogelijk levensgevaar dan om een religieus verbod. De aanbeveling, het vrijwaren van de gezondheid, volgt een basisprincipe in het jodendom: de haast absolute waarde toegekend aan een menselijk leven.

«      1   |   2   |   3      »      
Copyright © 2010 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2021 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.