15 Adar 5779 | 22 maart 2019
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Poeriem in Dachau
Publicatiedatum: dinsdag 22 mei 2007 Auteur: Solly Ganor | 1.784 keer gelezen
Poeriem, Sjoa (Holocaust) »

Maart 1945
Zij kwamen in verschillende groepen in Auschwitz aan. Iedere groep telde ongeveer twintig mensen. Natuurlijk leken zij niet op mensen. Zij leken meer op wandelende skeletten. Zij hadden driehoekige gezichten met puntkinnen en ingezonken wangen. Zelfs hun lippen waren verschrompeld tot dunne blauwe lijnen. De enige opmerkelijke eigenschappen waren hun ogen: die waren ongewoon groot en met een vreemde gloed, bijna oplichtend. Zij werden in het concentratiekamp-slang de „Musselmannen" genoemd. Dat was gewoonlijk het laatste stadium voor de dood. Zij spraken Jiddisch met een accent, dat ons Litwische Joden vreemd in de oren klonk.
Zij vertelden ons dat zij van het ghetto van Lotz kwamen, door Auschwitz, voordat zij naar ons kamp gezonden waren. Ons kamp was bekend onder de naam „Buitenkamp nummer 10 van Dachau," en was gelegen nabij de pittoreske stad Utting, bij de Amersee. Ons kamp lag te midden van een klein bos en was omgeven door groene weilanden en schitterende landschappen. Denkend aan het moment dat ik daar zelf gebracht was, dacht ik bij mijzelf: „Hoe kan er ons iets slechts overkomen temidden van al die schoonheid?" Maar al spoedig ontdekte ik dat de schoonheid alleen in het landschap lag. De Duitsers die met de leiding belast waren, waren sadisten en moordenaars.

De mensen uit Lotz vielen in de zelfde val. Zij dachten dat na Auschwitz ons kamp een paradijs leek. De meeste van hen stierven spoedig na aankomst, ten gevolge van het harde werk, de slagen en de honger, maar zij gaven er toch de voorkeur aan om hier te sterven dan in de gaskamers van Auschwitz. Het was van hen dat wij de ongelofelijke verhalen hoorden over de gaskamers en de crematoria waar dagelijks duizenden mensen werden vermoord. Sommigen van hen vertelden dat zij reeds naakt voor de gaskamers hadden gestaan, om dan plotseling het bevel te krijgen om zich aan te kleden en dan werden zij naar ons kamp gestuurd. De Duitsers moesten wel een wanhopige behoefte gehad hebben aan werkers, dat zij deze wandelende skeletten helemaal uit Polen hadden gezonden.

Omstreeks maart 1945 waren nog slechts enkelen van hen in leven. Eén van hen stond bekend als „Chaim de Rabbi". Wij zijn nooit te weten gekomen of hij werkelijk een rabbijn was, maar hij waste altijd zijn handen en maakte altijd een beracha voor hij ging eten. Hij kende de data van de Joodse kalender en kende ook de gebeden uit zijn hoofd. Van tijd tot tijd, wanneer de Duitsers niet keken, nodigde hij ons uit om deel te nemen aan het avondgebed.

Onze Joodse kampcommandant, Burgin, hoorde over hem en trachtte hem lichtere baantjes te geven. De meeste mensen stierven wanneer zij zakken cement van honderd pond op hun rug moesten dragen, of ander zwaar werk. Een dergelijke job zou hij geen dag hebben kunnen volhouden. Hij vertelde me eens, dat als hij het zou overleven, hij zou trouwen en minstens twaalf kinderen wilde hebben.
Omstreeks midden maart kregen we een dag vrij. Het was zondag. Het kamp was bedekt met sneeuw maar hier en daar waren reeds de eerste tekenen van een naderende lente te zien. We hoorden vage geruchten over een Amerikaanse doorbraak in Duitsland en een sprankje hoop lichtte op in onze harten. Na het ontbijt, dat bestond uit een beschimmelde boterham, een minimaal stukje margarine en bruin water dat bekend stond als „Ersatz Kaffee" keerden wij weer terug naar onze barak om wat extra slaap te pakken.

Plotseling zagen wij „Chaim de Rabbi" in de sneeuw staan, schreeuwend: „Haman aan de galg! Haman aan de galg!" Op zijn hoofd had hij een papieren kroon, gemaakt van een cementzak en hij was gekleed in een deken waar sterren op zaten geplakt, geknipt uit hetzelfde papier als de kroon.
Wij stonden als aan de grond genageld te staren naar deze vreemde vertoning, nauwelijks in staat onze ogen te geloven, terwijl hij danste in de sneeuw, onder het zingen van: „Ik ben Achasjverosj, Achasjverosj, de koning van de Perzen." Dan stond hij stil, ging rechtop staan , met zijn kin in de lucht, zijn rechter arm gebiedend omhoog als in een koninklijk gebaar en schreeuwde: „Haman aan de galg! Haman aan de galg! En wanneer is zeg Haman aan de galg, dan weten wij allen over welke Haman wij het hebben!" Wij waren er zeker van dat hij zijn verstand verloren had, zoals zovele in die onmogelijke tijden. Intussen stonden er zo'n vijftig van ons de „Rabbi" aan te gapen, toen hij zei: „Jidden, wos iz mit ach! Haint is Purim, lomir schpielen a purim schpiel!" [Joodse kameraden, wat is er met jullie aan de hand? Vandaag is het Poeriem,laten we een Poeriem spel spelen!].

Op dat moment daagde er iets bij ons, dat thuis, een miljoen jaar geleden, dit de tijd van het jaar was dat de kinderen zich voor Poeriem verkleedden, Poeriem spelletjes speelden en „Hamantaschen" aten. Wij hadden de „Rabbi" nodig om de juiste Joodse datum te herinneren, wanneer het Poeriem was. Wij wisten nauwelijks welke dag van de week het was.

Vervolgens verdeelde hij de rollen onder de toeschouwers: Esther Hamalka, Mordechai, Vasti en Haman. Ik kreeg de eer Mordechai te mogen spelen en het slot was dat wij allemaal dansten in de sneeuw. Zo hadden wij ons „Purimschpiel" in Dachau. Maar dat was niet het eind van het verhaal. „Rabbi" beloofde ons dat wij die dag onze „Sjlach Manot' [red. FAQ-online: Je geeft Sjlach Manot aan vrienden als teken dat je om elkaar geeft. Een 'mand' behoort min. 2 etenswaren te bevatten.....] zouden krijgen en wij dachten dat dit nauwelijks waarschijnlijk leek. Maar wonder boven wonder, dezelfde middag kwam een delegatie van het Internationale Rode Kruis naar ons kamp. Het was de eerste keer dat zij zich om ons bekommerd hadden. Maar wij verwelkomden hen met open armen, want zij brachten ons de „Sjlach Manot" die de „Rabbi" ons beloofd had. Ieder van ons kreeg een paketje met een blikje zoete, gecondenseerde melk, een kleine reep chocola, een doos suikerklontjes en een pakje sigaretten. Het is onmogelijk onze vreugde te beschrijven! Wij waren wij allen op sterven na dood en plotseling was het Poeriem en kregen wij deze geschenken. Sedert dien twijfelden wij nimmer meer aan de „Rabbi'".

Zijn voorspelling kwam ook uit. Twee maanden later ging „Haman-Hitler" naar de galg, en schoot hij zichzelf in zijn bunker in Berlijn voor het hoofd, terwijl wij, althans wie nog in leven was, gered werden door het Amerikaanse leger, op 2 mei 1945. Ik verloor de „Rabbi' uit het oog op onze „dodenmars" van Dachau naar Tirol, maar ik hoop dat hij het overleefd heeft en de vele kinderen heeft gekregen die hij wilde hebben. Ik moet altijd aan hem denken als het weer Poeriem is, wegens dat onvergetelijke „Purimschpiel" in Dachau.

Solly Ganor, Herzlia Pituach. Poeriem, Joed Daled Adar, 16 maart 2003

Bron en met toestemming:
Hoor Israel

Copyright © 2007 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2019 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.