13 Siewan 5780 | 05 juni 2020
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Gilad Shalit tegen 1000 Palestijnen?
Publicatiedatum: vrijdag 10 juni 2011 Auteur: Dayan mr. Drs. R. Evers | 1.193 keer gelezen
Halacha, Gilad Shalit, Opperrabbijn R. Evers, Gevangenenruil »

Wat zeggen de Joodse bronnen over een mogelijke ruil van Gilad Shalit tegen een astronomisch aantal Palestijnen? Iedereen is intens betrokken.

Officieel hanteren vrijwel alle geciviliseerde landen het beginsel, dat met terroristen niet mag worden onderhandeld. Maar volgens de joodse wet is gijzeling geen regeringsaangelegenheid maar een halachische kwestie. De Sjoelchan Aroech, de joodse codex, wijdt zelfs een apart hoofdstuk aan "pidjon sjewoejiem" - het loskopen van gevangenen en gijzelaars. Onderhandelen is een religieuze plicht: "iedere seconde, die men onbenut laat is potentieel bloedvergieten", aldus de codex.
Geld, dat is ingezameld voor de bouw van een synagoge mag zonder meer worden aangewend voor het loskopen van gegijzelden. De joodse gemeenschap te Alexandrië kende een speciale belasting voor het vrijkopen van gevangenen.

Soms stonden religieuze motieven voorop: als men zich niet zou bekeren tot christendom of islam zou men gedood worden. Meestal ging het om financiële motieven, zoals in het geval van Rabbi Meïr uit Rothenburg (1230-1293), die van plan was naar Israël te emigreren, omdat hij de vele vervolgingen in Duitsland beu was. Onderweg liet de Duitse keizer hem oppakken, omdat hij vreesde, dat velen het voorbeeld van Rabbi Meïr zouden volgen. De keizer wilde, dat de Joden zouden blijven om zijn schatkist te spekken. Rabbi Meïr werd gegijzeld in het slot Ensisheim in de Elzas. De Joden boden een hoge losprijs: 20.000 gouden Mark. Rabbi Meïr weigerde dit, want hij vreesde dat de Keizer dan meer vooraanstaande Joden gevangen zou nemen om zich met losgeld te verrijken. En zo bleef Rabbi Meïr tot zijn dood in de kerker. Veertien jaar later werd zijn stoffelijk overschot losgekocht door Süszkind Wimpfen uit Frankfort.

Geen enkele moderne staat kent een wetgeving op het gebied van gijzeling. Maar Rabbi Jehoeda Hanasi (de Vorst) had het al in 195 vastgelegd in de Misjna, de joodse praktijkleer. Het eigen leven gaat altijd voor, zodat men het recht heeft zichzelf eerst vrij te (laten) kopen. Zelfs ouders of joodse leraren hoeft men hierbij niet voor te laten gaan. Vrouwelijke krijgsgevangenen worden eerst gelost uit vrees voor misbruik. Vindt een man het niet de moeite waard zijn vrouw vrij te kopen dan wordt hij gedwongen door het Rabbinale hof om middelen vrij te maken voor dit doel.

Actueler is de volgende richtlijn uit de Misjna: "Men mag gevangenen niet boven hun waarde loskopen met het oog op het algemeen welzijn" (Gittien 4:6). Wat is de betekenis van het algemeen welzijn? De Talmoed geeft 2 interpretaties:

1. Om de gemeenschap niet voor al te grote financiële offers te stellen.
2. Om te voorkomen, dat een te hoge losprijs een aansporing zou zijn om nog meer gijzelaars te maken. 

Maar wat is "een te hoge losprijs"? En geldt de Misjna-regel ook als de gegijzelden worden bedreigd met de dood? Hier staat collectieve verantwoordelijkheid en veiligheid tegenover individueel belang.

TOT WELKE PRIJS?
Wat "niet meer dan hun waarde" is, houdt de kampen verdeeld. Maharam Lublin (16e eeuw) meent, dat de Misjna ziet op de waarde van een mens, die als slaaf wordt verkocht. Maar omdat Polen geen slavenmarkten meer kende, verwijst hij naar slavenmarkten in Turkije, waar men de waarde van een slaaf kon bepalen.

Anderen menen, dat men moet letten op de gebruikelijke losprijs van een christelijke gijzelaar. Indien men hier niet boven gaat, zou het risico van kidnapping van joodse burgers niet verhoogd worden.
Volgens beider opvatting is een ruil van 1000 Palestijnen tegen een Israëli volstrekt absurd. Het criterium "de gebruikelijke losprijs van een christelijke gijzelaar" wordt ver overschreden.

LEVENSGEVAAR
Het is echter de vraag of de regeling uit de Misjna, die bepaalt, dat men gevangenen niet boven hun waarde mag vrijkopen, van toepassing is op de voorgenomen krijgsgevangenenruil van Gilad.

De eerste reden van deze bepaling luidde, dat men de gemeenschap niet voor al te grote offers mag plaatsen. Deze reden is niet actueel nu het gaat om een ruil van mensen tegen mensen. Volgens de tweede reden wil de Misjna toekomstige gijzelingen ontmoedigen. In oorlogssituaties is ook deze reden niet van toepassing. Over en weer krijgsgevangenen nemen is in een oorlogssituatie normaal en wordt niet gestimuleerd door hoge losprijzen. Israël verkeert helaas permanent in staat van oorlog met zijn buurlanden; de Misjna ziet op een toestand van relatieve rust. In geval van oorlog is de regeling uit de Misjna niet van toepassing en zou men krijgsgevangenen ook buiten iedere proportie kunnen uitwisselen, aldus de Middeleeuwse Tosafisten.

Sefardische geleerden uit de 19e eeuw menen, dat het leven van "onze jongens" zwaarder moet wegen dan welke limiet dan ook. Vertaald in actuele termen zou een ruil van één Israëli tegen 1000 Palestijnen niet absurd zijn. Het acute levensgevaar van één mens weegt op tegen slechts een mogelijke bedreiging van de nationale veiligheid.

RUIL VAN GESNEUVELDEN
Helaas zijn veel Israëlische soldaten in gevangenschap omgekomen. Een vraag, die eens aan Rabbi Jaïr Chaïm Bachrach (1638 - 1701) gesteld werd, betrof een joodse dief, die door de plaatselijke autoriteiten was opgehangen. Moest men het stoffelijk overschot loskopen? Rav Bachrach stelt, dat dit een dwingende verplichting is voor zijn zoon. Is deze hiertoe echter niet in staat dan moet de hele gemeenschap hiertoe bijdragen.
Als krijgsgevangen soldaten nog niet begraven zijn, zou Israël zich tot het uiterste moeten inspannen om de gesneuvelde militairen terug te krijgen. Maar hiervoor mag geen onevenredige tegenprestatie geboden worden.
Als de soldaten reeds begraven zijn, bepaalt Maimonides, dat ze niet mogen worden herbegraven omdat zij hun graf hebben daar, waar zij gedood zijn. Deze regeling stamt nog uit de tijd van de Talmoed (500 na). Moderne Poskiem, zoals Rabbi Jesjaja Karelitz (20e eeuw), staan echter overbrenging naar een familiegraf toe.

Het blijft Israëls plicht om voor zijn dapperen, ook postuum, te strijden. Het bloed van de weerlozen schreit vanuit de aarde en roept om wraak.

 

©Dayan mr. drs. R. Evers 2011

Copyright © 2011 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2020 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.