23 Tisjri 5782 | 29 september 2021
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Het gouden kalf: kreeg de zwijgende meerderheid een eerlijk proces?
Publicatiedatum: maandag 20 juni 2011 Auteur: Dayan mr. Drs. R. Evers | 1.401 keer gelezen
Parasja, Opperrabbijn R. Evers, Gouden kalf »

Eerlijk proces?
“Ga naar beneden, want jouw volk, dat jij uit Egypte hebt gebracht, is snel afgeweken van de weg, die Ik ze geboden heb en zij hebben zich een gesmolten kalf gemaakt” (Sjemot 32:7-8).
“Mosje ging in de poort van de legerplaats staan en zei: ‘Wie is er voor G’d? Die kome tot mij!’. Al de Levieten verzamelden zich bij Mosje en Mosje zei tegen hen: ‘Zo zei G’d: ‘Ieder gordde zijn zwaard aan zijn heup en ga heen en weer in de legerplaats van poort tot poort, en ieder moet zijn broeder, zijn verwant en zijn naaste doden’.’ De Levieten deden naar het woord van Mosje en er vielen van het volk die dag ongeveer drieduizend man” (32:27-28).
Hadden de afgodendienaren geen recht op een eerlijk proces? Hoe kunnen de Levieten zoveel mensen in de woestijn hebben gedood? Was dit een daad van ijverzucht, eindelijk een gelegenheid voor extremisten en fundamentalisten om hun woede te koelen op zondaren en ongelovigen? Wat was er gebeurd?

Nieuw volk, Mosje als voorvader
G’d doet Mosje een voorstel. G’d wil het volk vernietigen en een nieuw volk opbouwen met als voorvader Mosje. Mosje slaat dit aanbod af, houdt een groot pleidooi en dringt er bij G’d op aan dat Hij verder moet met de afstammelingen van Awraham, Jitschak en Ja’akov. Mosje zegt tegen G’d:“Een tafel met drie poten (een volk met drie Aartsvaders) kan al niet blijven staan (zij vervallen af en toe tot zonde), dan toch zeker kan een tafel met één poot (als ik de voorvader wordt van het Joodse volk) niet blijven staan.” Mosje pleit voor Israël omwille van G’ds verbond en belofte aan hen en hun voorouders. Zijn inspanningen worden met succes beloond. Maar het incident met het gouden kalf kan niet ongestraft voorbijgaan. De zaak is duidelijk. Op afgoderij staat de doodstraf. Mosje zoekt mensen om het vonnis uit te voeren. De Levieten melden zich aan. Zij plaatsen de G’dsdienst boven hun eigen emoties. Zij kwijten zich zo goed van hun taak, dat Mosje hen aanneemt als bedienaars van de G’dsdienst, in plaats van de bechoriem (eerstgeborenen), die tot dan deze taak vervulden.
Toch zit er een moeilijk punt in deze episode. Wanneer Mosje opdracht geeft om de afgodendiena­ren te doden, stelt hij: “Als volgt zegt G’d: ‘Laat ieder zijn zwaard omgorden’.” (32:27). Waar staat in de Tora dat G’d dit ook werkelijk heeft gezegd? Rasjie heeft dit probleem opgemerkt en verwijst ons naar de sidra van de vorige week: “Iedereen die voor afgoden offert, moet ter dood worden gebracht” (22:19).

Poorten zijn gerechtshoven
Toch komt de Midrasj met een andere verklaring. Op het versdeel dat Mosje in de “poort van het kamp stond” (32:26) leggen onze verklaarders uit dat met “poort” meestal het Sanhedrin wordt bedoeld, het gerechtshof van éénenzeventig oudsten. Voordat Mosje opdracht gaf om de zondaars te executeren, consulteerde hij het Sanhedrin, de hoogste gerechtelijke autoriteit. Ieder van de drieduizend overtreders heeft ongetwijfeld een apart proces en vonnis gekregen, waarbij getuigen en waarschuwingen van te voren niet ontbraken. Daarom stond Mosje Rabbenoe in de poort van het gerechtshof.

Met open vizier
De meeste beulen bedekken hun hoofd uit schaamte of angst voor represailles. In het Jodendom wordt ook van de ‘executeur’ verwacht dat hij een hoog moreel niveau heeft. Mosjé’s woorden “Wie aan de kant van G’d staat” noodzaakten niet zozeer tot kiezen voor de ‘partij van G’d’ maar slaan veel meer op de soort persoonlijkheid, die in aanmerking komt om beul te worden in deze uiterst onverkwikkelijke geschiedenis. Veel Joden hadden het gouden kalf zelf niet gediend maar hun passieve afzijdigheid toonde onvoldoende karakter en gebrek aan werkelijke toewijding aan het Jodendom. Mosje zocht mensen die zó toegewijd waren dat hun enige beweegreden de verheffing van het Joodse volk was. Alléén déze mensen mochten de uitvoerders van het doods­vonnis worden. De uitdrukking “Iedereen dode zijn broeder” is niet slechts een opdracht maar tevens een indicatie van het karakter en de persoonlijkheid van de beulen. Haat, woede, wraakge­voelens of bitterheid mochten niet hun drijfveer zijn. Zij moesten oprechte broederlijke gevoelens koesteren tegenover degene, die zij moesten executeren. Zou dit niet het geval zijn, dan zou het ene geweld slechts het andere geweld oproepen.

Geen moordenaars
Wil men het slechte vernietigen dan moet men zuiver gericht zijn. Er moet sprake zijn van commitment. De enige beweegreden moet liefde voor G’d of haat tegen het kwaad zijn. Men mag niet haatdragend zijn tegenover de mens, die het kwaad bedre­ven heeft, omdat ieder mens tesjoewa kan doen en zichzelf ten positieve kan veranderen. Na de oproep van Mosje staat er “En de zoons van Levi handelden naar het woord van Mosje en op die dag vielen er drieduizend mensen”. In de vers wordt het woord ‘moorden’ niet vermeld, omdat de Levieten geen moordenaars waren.
Afgoderij moet vermeden worden omwille van het geloof en de morele verheffing van het Joodse volk. Maar dit betekent niet dat men er maar in de wilde weg op los moet slaan. Een eerlijk proces, een onbevooroordeelde rechter, een beul met zuivere motieven zijn belangrijke elementen van het juridische systeem van de Tora.

Geen onvoorwaardelijke heiligheid
Bij zijn terugkomst brak Mosje de Stenen Tafelen. Volgens de Mesjech Chogma wilde Mosjé Rabbenoe hiermee duidelijk maken, dat geen enkel voorwerp uit de materiële wereld onvoorwaardelijk heilig is. Zelfs de Stenen Tafelen niet! Alle heiligdommem die wij kennen, zoals Israël, Jeruzalem en de Heilige Arke worden door de kedoesja (heiligheid) van de Tora tot die status verheven. Daarom is er ook geen principieel verschil in tijd of plaats of tussen mensen. Mosjé, de “man G’ds” en het allereenvoudigste lid van Klal Jisraëel zijn in principe gelijk. Als één van hen de Tora overtreedt, kent de Tora slechts één wet voor iedereen.
Mosjé nam alleen zo een bijzondere positie in omdat hij de overbrenger van de Tora was. De Tora heeft als zodanig met hem persoonlijk niets te maken. De Tora is afkomstig van HaSjeem en alleen van Hem afhankelijk. Bij zijn terugkeer van de berg Sinaï was dit Mosjé’s boodschap aan het volk: “Denk niet dat ik persoonlijk kedoesja (heiligheid) ben buiten de opdracht van Hasjeem. Daarom was het ook zo onzinnig om in plaats van mij een kalf te maken want ik ben een mens net als jullie. De Tora is niet van mij afhankelijk.”. Materiele objecten bevatten geen zelfstandige heiligheid. G’d woont in de mens en wanneer de mens het Tora-verbond overtreedt, verlaat de kedoesja – wijding - hem en is hij als iedere andere ongewijde entiteit.

Materialisatie van heiligheid ongewenst
Hoewel de Stenen Tafelen waren gegraveerd met G’ddelijk schrift kennen ook zij geen intrinsieke kedoesja. De Stenen Tafelen waren heilig omdat dit een gave G’ds was om het Joodse volk te verheffen. Maar toen zij ontrouw werden vlak na de Tora-wetgeving en een Gouden Kalf maakten, bleek de kedoesja in hen maar zeer gering. De Stenen Tafelen ontleenden hun heiligheid aan de G’ddelijke opdracht die bedoeld was voor de mens. Wanneer de mens niet voldoet aan de opdracht, verliezen zelfs de Stenen Tafelen hun gewijde status. Toen Mosjé dicht bij het kamp kwam en zag dat het volk rond het gouden kalf danste, zag hij in, dat hun begrip van de interactie tussen G’d en de wereld dusdanig verkeerd was, dat hij de Stenen Tafelen uit zijn handen op de grond gooide en brak. Wanneer Mosjé de Stenen Tafelen in die vernederende situatie toch zou hebben overhandigd aan het Joodse volk, hadden ze Stenen Tafelen in plaats van een gouden kalf aangenomen maar hun fundamentele denkfout zouden ze niet hebben opgemerkt. ‘Verdinglijking’ van heiligheid is niet de Joodse benadering. Toen Mosjé de Stenen Tafelen brak, besefte men hoe ver ze nog verwijderd waren van het werkelijke doel van de Tora. Hasjeem was Mosjé dankbaar voor deze harde audiovisuele les. Daarom zei hij hem “sjkouch! Je hebt ze een basaal begrip bijgebracht door de Stenen Tafelen te breken”.

 

©Dayan mr. drs. R. Evers 2011

«      1   |   2   
Copyright © 2011 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2021 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.