12 Tammoez 5784 | 18 juli 2024
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     Israël     Media     Publicisten     
Het gouden kalf: geen werkelijke afgoderij
Publicatiedatum: vrijdag 01 maart 2013 Auteur: Dayan mr. drs. R. Evers | 1.951 keer gelezen
Opperrabbijn R. Evers, Torat hasod we'avodah zara [occultisme en afgoderij], Gouden kalf, Aseret Hadibrot [Tien Geboden] »

Hoe was het mogelijk, dat het volk zo vlak na de grote wonderen bij de uittocht uit Egypte weer zo snel kon vervallen tot afgoderij? Kennelijk kunnen zelfs de grootste wonderen de natuur van de mens niet veranderen. Het kost veel tijd en inspanning om oude gewoonten en bijgeloven af te leren en nieuwe gedragsvormen en – normen te laten inslijten. Terwijl Rasjie meent dat het gouden kalf werkelijk afgoderij was, stellen de meeste verklaarders echter dat dit niet het geval was. Dit verklaart waarom er relatief maar zo weinig slachtoffers vielen. Maar wat was er dan wel aan de hand? Rav J. Nachsjoni geeft verschillende ideeën.

Focuspunt
Volgens Rabbi Jehoeda Hallevi (13e eeuw) was het gouden kalf niet werkelijk afgoderij. Het volk zocht eigenlijk meer een punt om zichzelf op te concentreren. De gebeden en offers zouden op G’d gericht blijven maar men zocht hierbij een aardse verankering, een fysieke focus om zich op te concentreren.
Het volk kon zich alleen op een bepaalde plaats of bij een concrete vorm concentreren, omdat het G’ddelijke in de wereld hen te abstract was. Daarom meenden de makers van het gouden kalf dat ze iets tastbaars moesten hebben om hun gevoelens op te richten. Tegenwoordig spreekt deze wens ons niet meer zo aan, omdat ons begrippenapparaat veranderd is. Toch zijn wij ook tegenwoordig nog niet helemaal vergeestelijkt. Ook wij richten onze gebeden op de Hemel terwijl het uitspansel slechts een materieel fenomeen is.

Gering aantal
Bij de zonde van het gouden kalf vielen “maar” drieduizend doden. Gemeten naar de ernst van het vergrijp was dit een relatief gering aantal. En het Manna bleef gewoon neerdalen. Ook na het gouden kalf bleef de profetie stromen. G’ddelijke wolken beschermden het volk nog steeds. Verder is opvallend, dat in een andere context het beeldverbod niet gold.
In de Tabernakel stonden de beelden van de Cherubijnen op de Aron haKodesj, de Heilige Arke! In een zuivere en pure omgeving als het Allerheilige kon dat worden getolereerd en was het zelfs een mitswa (gebod)! Maar de plaatsing van de Engelen was een uitdrukkelijke opdracht van G’d geweest. Het gouden kalf ontsproot daarentegen aan de fantasie van het volk en was geen godsdienst maar een projectie van allerlei menselijke ideeën over theologie. G’d kunnen wij alleen vanuit G’d kennen en dienen. Daarom was het gouden kalf verkeerd omdat het `man-made’ was en daardoor beperkt en niet van G’d.

Beeldverbod
Het gouden kalf was niet zozeer een opstand tegen G’d maar eerder ongehoorzaamheid aan het beeldverbod. De joden wisten van de Cherubijnen op de Aron haKodesj – de Heilige Arke – in het Allerheiligste vertrek van de Misjkan-Tabernakel en meenden daarom, dat het ook geoorloofd was om zelf een beeld te maken. Aharon leek een beetje toe te geven aan de wens van het volk. Niet omdat hij bang was om zich te verzetten en desnoods te sterven voor het geloof – afgoderij is nu eenmaal één van de drie hoofdzonden waarvoor men het leven moet geven – maar omdat hij de volkswens om de godsdienst te concretiseren en meer grijpbaar te maken niet als een halszaak ervoer. Hun hart en intentie bleef immers gericht op G’d.
Daarom zei Aharon ook: “Morgen is er een feest voor HaSjeem!”. Inhoudelijk zou het Jodendom gelijk blijven. Volgens de Ibn Ezra (12e eeuw) lag de fout voornamelijk hierin, dat zo de deur werd opengezet voor zwakkelingen, die het verschil tussen vorm en inhoud niet aankonden. Het beeld zou zo tot god worden.
Het gevaar lag in de verdinglijking van de religie, in de verbeelding van het G’ddelijke. Een belangrijke les voor onze tijd. Ook wij neigen ertoe om te veel waarde te hechten aan allerlei uiterlijkheden – alsof het ware Jodendom daarvan afhankelijk is. G’d wil het hart – hoewel er bepaalde voorschriften met duidelijke vormen voorgeschreven blijven. Combinatie van vorm en inhoud, dat is het Jodendom!

Dank voor Mosje
Volgens de Mesjech Chogma wilde Mosjé Rabbenoe met het breken van de Stenen Tafelen duidelijk maken dat geen enkel voorwerp uit de materiele wereld onvoorwaardelijk heilig is. Hoewel de Stenen Tafelen waren gegraveerd met G’ddelijk schrift kenden ook zij geen authentieke, intrinsieke kedoesja. De Stenen Tafelen waren slechts heilig omdat dit een gave G’ds was om het Joodse volk te verheffen.

Maar toen zij ontrouw werden vlak na de Tora-wetgeving en een gouden kalf maakten, bleek hun niveau van kedoesja maar zeer gering. De Stenen Tafelen ontleenden hun heiligheid aan de G’ddelijke opdracht die bedoeld was voor de mens. Wanneer de mens niet voldoet aan de opdracht, verliest ook het geschenk uit de Hemel – in casu de Stenen Tafelen – zijn gewijde status. Toen Mosjé dicht bij het kamp kwam en zag dat het volk rond het gouden kalf danste, zag hij in, dat hun begrip van de interactie tussen G’d en de wereld dusdanig verkeerd was, dat hij de Stenen Tafelen uit zijn handen op de grond gooide en brak.

Wanneer Mosjé de Stenen Tafelen in die vernederende situatie toch zou hebben overhandigd aan het Joodse volk, hadden ze Stenen Tafelen in plaats van een gouden kalf aangenomen maar hun fundamentele denkfout zouden ze niet hebben opgemerkt. Verdinglijking van heiligheid is niet de Joodse benadering. Toen Mosjé de Stenen Tafelen brak, beseften zij hoe ver ze nog verwijderd waren van het werkelijke doel van de Tora.

Audiovisuele les
Hasjeem was Mosjé dankbaar voor deze keiharde audiovisuele les. G’d bekrachtigde het oordeel van Mosjé, dat dit noodzakelijk was, en hij zei hem: “Sjkoich - Hartelijk dank Mosjé, dat jij de Stenen Tafelen kapot gegooid hebt” (B.T. Jewamot 62a).
De Talmoed (B.T. Sjabbat 87a) zegt dat Mosjé als volgt redeneerde: ‘Als de Tora al over het Pesach-offer zegt dat een afvallige er niet van eten mag, terwijl het Pesach-offer slechts één van de 613 geboden is, dan mag het Joodse volk, dat nu – door de afgoderij - de hele Tora ontkent, toch zeker niet de hele Tora – samengevat in de Tien Geboden - aangereikt krijgen’.

Verbrijzelen ging niet eenvoudig
Het verbrijzelen van de Stenen Tafelen was overigens geen sinecure. Het lijkt erop, dat Mosjé Rabbenoe ze gewoon op de grond gooide uit woede maar niets is minder waar. Volgens de Midrasj ging hier een hele discussie en een handgemeen aan vooraf: Mosjé Rabbenoe aan de ene kant en Aharon en de zekeniem-ouderen aan de andere kant. De discussie verliep heftig. Mosjé claimde dat de Joden als aanbidders van een gouden kalf de Tora niet waard waren.
Maar Aharon, zijn broer, en de zeventig oudsten waren het daar totaal niet mee eens. Hun onenigheid ging zelfs zo ver, dat zij hem vast pakten en probeerden te voorkomen dat hij de Stenen Tafelen op de grond zou gooien.  Mosjé was echter sterker, zowel geestelijk als lichamelijk.
Mosjé’s vastbeslotenheid is moeilijk te begrijpen. Natuurlijk hadden Aharon en de oudsten gelijk. De Tafelen waren het handschrift van G’d Zelf! Hoe reageren wij als een Sefer Tora, waarvan er – baroech HaSjeem - honderdduizenden zijn, dreigt te vallen? Aharon en de oudsten protesteerden: “Oké, de Joden zijn fout met dat buigen voor het Gouden Kalf. Maar daarvoor hoef je de Tafelen nog niet kapot te slaan. Eenmaal een fout betekent niet altijd verkeerd. Misschien doen zij Tesjoewa en hebben ze spijt van deze afgoderij!

Soms is een drastische stap nodig
Aharon en de oudsten lijken gelijk te hebben. Door de Tora kunnen ze juist gemotiveerd worden om tot inkeer te komen. Zeker tegenwoordig zijn we getuige van vele mensen, die uiteindelijk terugkeren naar het Jodendom hoewel ze er totaal niet mee opgevoed zijn. Kon die kans de Joden in de woestijn ook niet geboden worden? Waarom dacht Mosjé dat de Joden niet door ‘het licht van de Tora’ zouden kunnen terugkeren tot het ware monotheïsme? Mosjé meende dat dit onhaalbaar was. Toen de Joden over het Gouden Kalf zeiden ‘dit is uw G’d, o Israël’, knapte er iets bij Mosjé. Wanneer men afgoderij Jodendom noemt, meende Mosjé, is er geen weg terug meer. Mosjé nam een drastische stap en G’d accordeerde zijn destructieve daad. De Talmoed leidt hier uit af dat soms een drastische stap nodig is om het volk weer op het rechte pad te krijgen.

Pagina index:
Copyright © 2013 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2024 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.