10 Tammoez 5778 | 22 juni 2018
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     Israël     Media     Publicisten     
Dierenrechten
Publicatiedatum: woensdag 23 mei 2018 Auteur: Opperrabbijn R. Evers | 115 keer gelezen
Opperrabbijn R. Evers, Dieren en natuur, Noachieden, Aseret Hadibrot [Tien Geboden] »

Zijn wij beter dan de dieren?
Er lijkt geen einde aan te komen: varkenspest, BSE, mond-en-klauwzeer. De economie lijkt te wankelen. Boeren in grote nood, dierenleed en stapels kadavers. Vanuit de uiterste rechtervleugel in de Nederlands Hervormde Kerk liet Tj. de Jong uit Staphorst weten, dat het uitbreken van mond- en-klauwzeer zonder meer een oordeel van G’d is dat over ons land komt. Besmet vlees wordt vergeleken met dynamiet, broodjes kaas worden bij de douane op Schiphol onderschept. De vreemdste theorieën doen opgeld: het zou een afleidingsmanoeuvre van het Oranjehuis zijn, om de komst in het Koningshuis van Maxima Zorreguieta erdoor te drukken.

Anderen wijzen op de morele scheefgroei in onze grensverleggende maatschappij. We zijn hypocriet en daarom brak enkele jaren geleden de varkenspest uit. Het varken heeft één kosjer kenmerk, het heeft gespleten hoeven maar herkauwt niet en is daarom treife (onrein). Onze Geleerden wijzen erop dat het chazier (varken) het toonbeeld van schijnheiligheid is. Hij ligt met zijn twee poten vooruitgestrekt op de grond, als het ware om te tonen dat hij kosjer zou zijn. Maar hij verbergt dat hij treife is, omdat hij niet herkauwt. Dat kan niemand echter aan de buitenkant zien. Zo ook gaat onze maatschappij ten onder aan hyprocrisie: “We maken ons wel druk over de ‘Israëlische agressie’ maar niet over de moordpartijen die in Argentinië onder het bewind van Videla en Zorreguieta hebben plaats gevonden en waarbij bijna tienduizend Joden de dood vonden.

De dierenhype is niet zo vreemd. De Talmoed zegt dat, wanneer er een ziekte onder de varkens is, ook de mensen zich zorgen moeten maken omdat de ingewanden van varkens lijken op die van de mensen. Ook de psychische opmaak van de mens bestaat in de laagste zielenregionen uit een nefesj behamiet – een dierlijke ziel. We hebben een aantal zaken met dieren gemeen. Vandaar dat het lot van dieren ons aan het hart gaat en dat we er veel uit kunnen leren.

Tegen de consumptiemaatschappij
Sommigen wijzen op mond- en klauwzeer als een directe aanklacht van Boven tegen onze consumptiemaatschappij. Met de klauw (de hand) grissen wij alles naar ons toe en met de mond consumeren wij maar door. In het Jodendom is het verboden de hoeken van het gezicht met een mes te scheren. De baard bedekt de onderkaak, waar het eten wordt gekauwd en waar de smaakzintuigen zitten. De onderkaak laten wij overwoekeren door een weelderig gewas, vanuit het besef, dat deze levensfunctie ons mens-zijn niet mag domineren. We moeten niet eten omdat wij bepaalde gerechten lekker vinden maar veel meer omdat wij het voedsel nodig hebben voor onze gezondheid. En onze lichamelijke gezondheid staat uiteraard in het teken van onze godsdienst. Een vermanend vingertje richting onze consumptiemaatschappij, een eyeopener voor ons egoïstische gedrag. Het leert dat we in ons leven niet alleen uit moeten zijn op plezier en genot.

Dierenrechten en mensenplichten
Het Jodendom kent een uitgebreide regeling ter bescherming van het dier. Láng voordat de beschaving in West‑Europa wortel had geschoten en de Batavieren in dierenvellen hier nog hunebedden bouwden, had de Tora al vele richtlijnen gegeven voor onze omgang met dieren. De Joodse wet wil dieren beschermen tegen wreedheid en lijden en stelt de mens verantwoordelijk voor het weI en wee van zijn dieren. Het verbod om ledematen te eten die worden afgesneden van levende dieren, is van Bijbelse origine en geldt voor alle wereldburgers. Wie een dier verhindert om tijdens het werk te eten, wordt gestraft wegens het overtreden van het verbod: "Gij zult een os niet muilkorven bij het dorsen" (Deut. 25:4).Gedurende ieder zevende jaar, het `sjabbatjaar’, moet men alle dieren vrij laten eten van de producten van de braakliggende velden (Ex. 23:11 en Lev. 25:2‑7). In Exodus (23:5) wordt opgedragen een ezel, die onder zijn last dreigt te bezwijken, te ontlasten, ook indien de eigenaar een vijand is. De Talmoed (B. T. Sjabbat 128b en Bawa Metsia 32b) leidt hieruit af dat het pijnigen van dieren een verbod uit de Tora is. Maimonides (1135‑1204) en rabbi Joseef Karo (1488‑1575) namen dit over in hun respectieve wetboeken (Rotsé'ach 13:1 en Chosjen Misjpat 272:9).

Zelfs rust In de Tien Geboden wordt ook dierenrust op de sjabbat voorgeschreven: "Dan zult gij geen werk doen, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee" (Deut. 5:14). Uit het vers: "en Ik zal op uw veld gras geven voor uw vee, zodat gij kunt eten en verzadigd worden” (Deut. 11:15) wordt afgeleid dat men eerst de dieren te eten moet geven alvorens zelf aan tafel te gaan. G'ds voorzienigheid strekt zich uit tot al Zijn schepselen. Dat de mens hierin navolgt, wordt binnen het Jodendom gezien als een vorm van imitatio Dei, het volgen in G'ds wegen. Nachmanides (1194‑1270) beschouwt het doden van dieren ‑ behalve als dit voor de mens of voor de godsdienst noodzakelijk is ‑ als moordRitueel slachten met de halssnede geschiedt met een vlijmscherp mes. De slagaderen in de hals worden zo snel doorgesneden dat vrijwel ogenblikkelijk de bloeddruk naar de hersenen wegvalt en het dier buiten bewustzijn raakt. Hoewel het `kosjere' slachten vanuit kringen van dierenvrienden nogal eens wordt beticht van wreedheid, hebben wetenschappelijke onderzoeken aangetoond dat de Joodse manier van slachten zeer diervriendelijk is.

Leiders afgerekend op diervriendelijkheid
Dierenzorg en het voorkomen van dierenleed vormen belangrijke thema's in het meer verhalende deel van de Talmoed, de Aggada. Mozes en David werden vanachter de schapen uitverkoren tot leiders van het volk. Rabbi Jehoeda Hannassi (2e eeuw), de auteur van de Misjna (Mondelinge Leer), kreeg een vreselijke ziekte, enkel en alleen omdat hij geen medelijden toonde tegenover een dier dat op weg naar de slachtbank zijn toevlucht bij de bekende rabbijn had gezocht. Toen hij later wel de gepaste gevoelens kon opbrengen, werd hij weer genezen. Dieren nodeloos pijnigen werd ten strengste verboden. Rabbi Jechezkeel Landau (1713‑1793) vaart hard uit tegen jagen als sport en veroordeelt dit als een `heidens gebruik', hoewel de jacht met name in de betere kringen zeer hoog in aanzien stond. Ook ons onvolprezen koningshuis moet hiermee stoppen! Stieren‑ en hanengevechten werden zonder meer verboden. Wanneer dieren ‑ al dan niet in laboratoria - alleen door de dood uit hun lijden kunnen worden geholpen, moet dit zo snel mogelijk gebeuren.

Mens centraal
De Amerikaanse rabbi Mosje Feinstein keurde verschillende wrede praktijken uit de `moderne' bio‑industrie af. Toch staat in de Joodse literatuur in deze discussies de mens en niet het dier centraal. De Tora kent géén dierenrechten, alleen mensenplichten. Dierenleed berokkenen is een degradatie voor de mens. Bescherming van dieren verheft het morele karakter van een maatschappij, maar toch blijft de mens belangrijker dan het dier. Reeds in de zestiende eeuw schreef R. Mosje Isserles, dat “alles, wat nodig is voor de geneeskunde of voor andere belangrijke zaken, het verbod tegen dierenleed in principe terzijde schuift” (Ewen haEzer 5:14). Dierproeven voor de cosmetische industrie zouden volgens de laatste mening niet zijn geoorloofd. Maar voor medisch onderzoek is veel toegestaan, hoewel dierenleed uiteraard tot een minimum beperkt moet blijven. Gebruik van dieren om mensenlevens te redden is geoorloofd en soms zelfs vereist. Hoewel de rechtervleugel van de christenen alhier dit niet wil aanvaarden, is xenotransplantatie met een varkenshart een ‘must’.

Toch werden díerexperimenten niet zonder overleg met gezaghebbende rabbijnen uitgevoerd. De responsaliteratuur staat hieromtrent vol vragen van gewetensvolle individuen, waarbij ‘kosten/batenanalyses’ vaak niet ontbreken. Sommige geleerden stonden dierproeven alleen toe, wanneer aantoonbaar was dat de vooruitgang van de medische wetenschap ermee zou zijn gediend. Omdat het verbod op pijnigen van dieren uit de Tora stamt is duidelijk dat, ook wanneer dierproeven worden uitgevoerd voor geoorloofde doelen, dierenleed tot het absolute minimum beperkt moet blijven. Dierproeven mogen alleen worden uitgevoerd als de gezochte informatie niet op een andere manier kan worden verkregen. De mens mag dieren gebruiken, maar niet misbruiken. Zowel mens als dier staan G'd ten dienste en de omgang met dieren moet passen in Zijn Scheppingsplan.

©Opperrabbijn Evers

Copyright © 2018 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2018 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.