15 Tisjri 5780 | 14 oktober 2019
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Balsemen van overledenen volgens de Joodse visie
Publicatiedatum: maandag 25 februari 2019 Auteur: Opperrabbijn Evers | 553 keer gelezen
Opperrabbijn R. Evers, Leven, dood en Opstanding der doden »
Inleiding
De oudste methode om het lichaam van een overledene te conserveren, was uitdroging. De Egyptenaren conserveerden overledenen in heet woestijnzand of in kunstmatig verhitte kamers.
Balsemen is een behandeling van het lichaam om ontbinding uit te stellen of te voorkomen. Volgens de Griekse geschiedschrijver Herodotus (480-425 v.d.g.j.) werden, voordat het lijk gebalsemd werd, met een ijzeren haak de hersenen via de neus verwijderd. Daarna maakte men een snede in de flank om alle ingewanden te verwijderen. De lichaamsholte werd opgevuld met mirre, cassia en andere specerijen, waarna het stof­felijk overschot dichtgenaaid werd. Vervolgens werd het lichaam gewas­sen en van top tot teen in wit linnen gewikkeld. Degenen die zich in Egypte met balsemen bezighielden, worden in de Tora ( Genesis 50:2 ) ‘geneesheren’ genoemd.

In de Tora wordt tweemaal melding gemaakt van het Egyptische gebruik om doden te balsemen: eenmaal bij onze Aartsvader Ja’akov ( Genesis 50:2-3 ) en eenmaal bij zijn zoon Joseef, de onderkoning van Egypte (Genesis 50:26). De Tora vermeldt, dat het balsemen van een overledene veertig dagen duurde ( Genesis 50:3 ). Dit laatste is in strijd met de mededelingen van Herodotus, die meent, dat het balsemen 70 dagen in beslag nam. In de Tora wordt eveneens een periode van 70 dagen genoemd ( Genesis 50:3 ): “en de Egyptenaren beweenden hem 70 dagen”. De Egyptenaren geloofden, dat een gebalsemde dode een prettige tijd in het Hiernamaals zou hebben. Binnen het Joodse volk is dit idee onbe­kend.

Redenen voor balsemen
In Amerika was het balsemen voor de begrafenis een wijdverspreid gebruik in het begin van deze eeuw. Rabbi J.J. Grünwald vermeldt, dat het hem lukte om regeringsbeambten in de staat Ohio, die in 1930 het balsemen algemeen verplicht wilden stellen, ervan te overtuigen, dat dit volgens de Joodse wet in het algemeen verboden is.

In vroeger tijden werd het balsemen geïnstitutionaliseerd om verschillen­de redenen:
Uit hygiënische overwegingen: men ging ervan uit, dat een ongebal­semd lijk een gevaar voor de (volks)gezondheid opleverde.
Om sentimentele redenen: de familie had het gevoel, dat het lichaam tegen ontbinding beschermd kon worden; na het balsemen konden de nabestaanden zich troosten met de illusie, dat de overledene nog in leven was.
Voor het oog: nu het in vele kringen gebruikelijk is het stoffelijk overschot voor de begrafenis op te baren, wil men nabestaanden, vrienden en kennissen niet confronteren met een deels tot ontbinding overgegaan lijk. Daarom wordt het lijk zo behandeld, dat het er als het ware nog levend uitziet.

Argumenten contra
Het is de moeite waard al deze argumenten pro balsemen op hun merites te beschouwen. Zijn de hygiënische motieven om te balsemen reëel? C.J. Polson en T.K. Marshall bespreken deze vraag en stellen, dat de mortali­teit onder begrafenisondernemers niet hoger is dan de gemiddelde morta­liteit. Balsemen, zo stellen zij, dient voornamelijk om het stoffelijk over­schot te conserveren en onaangename geuren te voorkomen.

Respect en liefde voor de overledene en het verlangen de overledene zo lang mogelijk in zijn oorspronkelijke, menselijke vorm te behouden, worden in de Joodse traditie evenmin gezien als legitieme redenen om balsemen toe te staan. Indien de nabestaanden om sentimentele redenen het lijk willen laten balsemen, dienen zij onder ogen te zien, dat men er binnen het Jodendom vanuit gaat, dat de gevoelens van de nabestaan­den moeten aansluiten bij hun dierbare familielid, zoals deze zijn leven leidde, en niet bij een geschminkt lijk dat op zijn begrafenis ‘wacht’.

Heden ten dage bestaat veel verwarring omtrent de balsemprocedure. Weinig is bij het publiek bekend over de methoden die bij begrafenis­ondernemingen in zwang zijn om het stoffelijk overschot te schminken en behandelen om het in de aula op te baren. Zou de familie op de hoogte zijn van de balsem- en schminkmethoden, dan zouden zij dit hoogstwaarschijnlijk niet willen hebben.

De Joodse opvatting
Het Joodse voorschrift luidt, dat de overledene op natuurlijke wijze en zo snel mogelijk ter aarde moet worden besteld. Het lichaam mag niet worden mismaakt en het wegnemen van organen wordt gezien als een inbreuk op het Tselem Elokiem (het G’ddelijk beeld), dat de mens ook na zijn dood herbergt. De overledene zelf heeft op geen enkele wijze baat bij een schminkbehandeling na zijn overlijden. Het Jodendom is van deze ideeën zo sterk doordrongen, dat balsemen in het algemeen verboden is, zelfs indien dit door de overledene uitdrukkelijk gewenst werd.
Het wordt niet als uiting van respect voor de overledene ervaren om hem als levend voor te doen, nadat G’d hem het leven heeft ontnomen. Hoewel het motief van balsemen vaak gevormd wordt door de wens een dierbare te behouden, moet men zich realiseren, dat deze gevoelens illusoir zijn. De kunst van het balsemen is de kunst van doodsontken­ning. Balsemen creëert een illusie van leven en verhindert als zodanig, dat het rouwproces zo adequaat en snel mogelijk intreedt.
Opvallend, zelfs enigszins paradoxaal, is het, dat de westerse mens, opgevoed met het Christelijke idee van zondigheid van het lichaam, dat gezien wordt als gevangenis van de ziel, na het overlijden geschminkt en ‘versierd’ moet worden.

De Halacha
De halachische aspecten van balsemen vereisen een korte inleiding om­trent de methoden die worden toegepast bij het balsemen. Meestal wordt een pipet in het lichaam van de overledene aangebracht om gassen en vocht uit het lichaam te zuigen. Vervolgens wordt het bloed bij de armen uit het lichaam gezogen, waarna welriekende kruiden via de pipet het lichaam ingepompt worden. Meestal wordt tevens een formaldehyde­oplossing (formaline) ingespoten om het vlees te verharden en ontbin­ding tegen te gaan.

Een andere methode wordt ‘freezing’ genoemd. Bij freezing gebeurt hoegenaamd niets met het lichaam zelf. Bij deze methode van balsemen worden enkele stoffen via de neus ingebracht, opdat het stoffelijk over­schot niet binnen korte tijd een onaangename geur zal verspreiden. Dit heeft slechts een korte uitwerking.

De eerste methode is in strijd met het halachische niwoel (onterings- of verminkings)verbod en bovendien wordt het natuurlijke ontbindings­proces voor kortere of langere tijd tegengegaan, hetgeen ongewenst is, omdat dit volgens de Talmoed ( B.T. Sanhedrien 47b ) deel uitmaakt van de kappara - verzoening voor de zonden van de overledene. Volgens Rav Asjie aldaar is dit ongewenst, omdat ontbinding het begin vormt van de begrafenis, die zo snel mogelijk moet plaatsvinden. Volgens Rabbi Mosje Sofeer ( Chatam Sofeer, J.D. 336 ) echter zou de eerste balsemmethode bij Joseef toegepast zijn en misschien zou deze methode toegestaan kunnen worden wat het niwoel (onterings- of verminkings)verbod betreft - indien dit ter ere van de overledene geschiedt. Wat het tweede aspect betreft - het tegengaan van de natuurlijke ontbinding - bestaat er onduidelijkheid over de vraag waarom de ontbinding niet tegengegaan mag worden. De geciteerde Talmoedpassage laat vele vragen open en uit de werken van gezaghebbende middeleeuwse Rabbijnen is niet duidelijk of het tegengaan van ontbinding aan de kappara - verzoening voor de overtredingen van de overledene - in de weg staat.

Hoe dit ook zij, de Acharoniem - de latere en moderne geleerden - staan lichte vormen van balsemen onder sommige omstandigheden toe. Het beste is het, indien de overledene overzee begraven moet worden of de begrafenis uitgesteld moet worden, de overledene naar halachisch voorschrift te wassen, te kleden en in een gesloten kist te leggen. Zeker indien het stoffelijk overschot daarna in een koelkamer gelegd wordt, hoeft men niet te vrezen voor onaangename geuren. Is deze conserve­ringsmethode niet haalbaar, dan zou de ‘freezing-methode’ onder om­standigheden toegestaan kunnen zijn. Uiteraard mag deze behandeling van het lijk alleen door de chewra kaddiesja - het Joodse Begrafeniswe­zen - geschieden. Het is verboden om bloed uit het lijk te pompen. Toegestaan is om - indien de overledene bijvoorbeeld van Amerika naar Israël getransporteerd moet worden - via de neus of de navel welrieken­de stoffen in het lichaam te brengen. Onder omstandigheden is het zelfs toegestaan conserverende vloeistoffen in te spuiten.

Indien een overledene toch volgens de conventionele methoden gebal­semd is en bloed uit het lichaam is gepompt, ontstaat de vraag wat men met dit bloed doen moet. Strikt halachisch gesproken moet alleen het “bloed, waar het leven van afhankelijk is” worden meebegraven. Bloed dat na het overlijden uit het lichaam wordt gepompt, valt hier niet on­der. Toch meent de Ga’on uit Brezan, dat ook bloed dat na het over­lijden uit het lichaam is gevloeid, meebegraven moet worden, omdat het bloed als onderdeel van het lichaam wordt beschouwd. Hoewel eerdere geleerden deze visie niet delen, volgt men in de praktijk de opvatting van de Ga’on uit Brezan.

In voorgaande paragrafen werden slechts enkele algemene halachische overwegingen besproken. Dit betekent niet, dat deze richtlijnen direct in de praktijk toepasbaar zijn. Het is absoluut noodzakelijk om in elk voorkomend geval het advies van een competente halachische autoriteit in te winnen.

De enige vraag die nog resteert, is waarom en hoe onze Aartsvader Ja’akov, die volgens de traditie reeds de hele Torawet in acht nam, werd gebalsemd. Ja’akov had zijn nakomelingen opgedragen hem in het land Israël te begraven. De reis duurde lang en conservering van het stoffelijk overschot was onvermijdelijk onder de subtropische omstandigheden. In de Zohar (de Joodse mystiekleer) wordt beschreven hoe Ja’akov gebal­semd werd, zoals aan het einde van het boek Genesis ( 50:2 e.v. ) staat. Ja’akov werd gedurende veertig dagen met welriekende olie en zalf ingesmeerd. De specerijen werden op zijn navel gelegd en drongen vanzelf het lichaam binnen. Ja’akov werd op geen enkele wijze openge­sneden en geen enkel orgaan werd uit zijn lichaam verwijderd, geheel volgens halachische richtlijnen.

Copyright © 2019 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2019 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.