2 Ijar 5781 | 13 april 2021
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Tsedaka de Joodse visie op filantropie
Publicatiedatum: woensdag 26 november 2014 Auteur: Opperrabbijn B. Jacobs | 1.868 keer gelezen
Halacha, Opperrabbijn Jacobs, Tsedaka [geven aan een goed doel], Moessar [ethiek] »
Als ik namens de Ambassade van Israël een toespraak mag houden bij een uitreiking van een medaille van Yad Washem aan een van de Rechtvaardigen onder de Volkeren, die met gevaar voor eigen leven Joodse medeburgers hebben gered gedurende die afschuwelijke jaren ’40-’45, dan vermeld ik vaak dat de redders, de verzetsstrijders of de duikouders geen helden waren. Want, zo leg ik dan uit, als ze helden hadden willen worden, dan hadden ze nooit een heldendaad verricht, omdat het risico veel te groot was. Zij die geen helden wensten te worden maar het als een menselijke plicht zagen om, zelfs met gevaar voor eigen leven, op te komen voor rechtvaardigheid, tsedaka, dat werden de duikouders en dat werden de verzetsstrijders en dat zijn de echte helden die ik regelmatig, vaak ook postuum, mag toespreken.

Bekend is de geschiedenis van een man die een klein jongetje op straat ziet. Het jongetje heeft geen eten, geen geld, nauwelijks kleding. Ouders zijn in geen velden of wegen te bekennen. De man neemt het kind mee naar zijn huis, geeft hem te eten en te drinken, koopt hem kleding en neemt hem op als zijn eigen zoon. Het kind gaat naar school op kosten van de man, die het zich overigens prima kan veroorloven. De man leert hem een vak en zorgt er zelfs voor dat hij kan trouwen en een eigen gezin stichten. Het arme weeskind van weleer is een vermogend zakenman geworden en woont al lang niet meer in de stad van zijn pleegvader.

Maar met de pleegvader gaat het helaas minder goed. Armoede kan veranderen in rijkdom, maar ook rijkdom kan afzakken tot armoede. De weldoener, die het arme jongetje een voorspoedig leven heeft mogen geven, belandt zelf aan de bedelstaf. De situatie is zo schrijnend dat de weldoener van weleer besluit om naar zijn pleegzoon te gaan en hem te vragen voor financiële ondersteuning. Hij klopt aan de deur van de riante bungalow van de pleegzoon. Een bediende doet open en vraagt hem op koude wijze waarvoor hij komt. De verpauperde pleegvader legt de situatie uit en hij geeft heel duidelijk aan wie hij is en wat zijn relatie is tot de heer des huizes. De bediende hoort het aan, gaat naar binnen en komt terug met vijftig euro……

De pleegvader gaat diep teleurgesteld en moedeloos naar huis, vertrouwend op de Eeuwige. Er wordt aan zijn deur geklopt. Er staat een oude arme man voor de deur die hulp nodig heeft. De arme man toont een diamant die hij wil verkopen voor vijftig euro omdat hij acuut het geld nodig heeft. De pleegvader geeft hem de vijftig euro, die hij net van zijn rijke pleegzoon had ontvangen en krijgt de diamant. Een dag later komt er een tweede man aan de deur die aangeeft dat hij weet dat de pleegvader een diamant heeft gekocht en hij biedt hem een gigantisch bedrag, omdat, naar zijn zeggen, de diamant van uitzonderlijk hoge kwaliteit is.

Beide mannen waren gestuurd door de pleegzoon. De pleegzoon wilde natuurlijk zijn vader helpen, maar niet door hem een zak met geld te geven. Hij wilde dat zijn vader zijn waardigheid zou behouden. Dat is echte tsedaka! In feite doet de bedelaar die geld ontvangt een grotere mitswa dan de gulle gever. De bedelaar geeft de gulle gever immers de gelegenheid om de mitswa van tsedaka te vervullen.

Prachtig gezegd, zult u denken. Maar is het haalbaar dat een mens zo zuiver wordt dat hij de bedelaar als het ware dankbaar is?

De eerste twee van de Tien Geboden luiden: (I) Ik ben jullie G’d die jullie uit Egypte heeft gevoerd en (II) jullie zullen geen afgoden dienen. In feite zijn deze eerste twee van de Tien Geboden de kortste samenvatting van het gehele Jodendom. Het Eerste Gebod, Ik ben jullie G’d, is de bron van alle geboden tussen mens en G’d en tussen mens en mens. Het Eerste gebod staat voor van het doen van goed. Het Tweede Gebod, jullie zullen geen afgoden dienen, staat symbool voor het niet overtreden van verboden, het nalaten van kwaad.

Maar als we dit iets dieper benaderen: wat is de bron van al het goede? Wanneer ben ik in staat belangeloos voor de medemens klaar te staan, desnoods dag en nacht? Alleen dan wanneer ik besef dat er een Eeuwige is, een Hogere kracht. Alleen als ik steeds voor ogen heb dat er meer is dan alleen geld, roem en kowed. Maar als geld mijn G’d is geworden, dan dien en vereer ik de pecunia en moet en zal alles wijken voor mijn materiële behoeften. Maar als ik de relativiteit besef van het aardse, alleen dan ben ik in staat om een ander belangeloos te geven, zuivere tsedaka te bedrijven.

Ik ben jullie G’d die jullie uit Egypte heeft bevrijd. Wat doet het er toe of de Eeuwige ons wel of niet uit Egypte heeft bevrijd? Egypte heet in de Thora Mitsrajim. En als we dit woord Mitsrajim letterlijk vertalen betekent het: grenzen, beperkingen. Ja, ik besefte gisteren al dat materialisme niet de essentie is van het leven. Maar is dat spirituele niveau van gisteren voldoende voor mijn geestelijk niveau van vandaag? Neen! Ik moet steeds weer, dag na dag, bijna ieder moment mijn grenzen doorbreken. Wegtrekken van mijn niveau van gisteren, mijn Mitsrajim, mijn Egypte, verlaten, steeds stijgen op de spirituele ladder van bescheidenheid en oprechte vroomheid.

En dan het Tweede Gebod: geen afgoden dienen. Ik heb ongetwijfeld tekortkomingen. Maar tussen die tekortkomingen of verkeerde neigingen is bij mij geen enkele behoefte om te knielen voor een afgodsbeeldje! Waarom dan bovenaan het lijstje van het Jodendom: geen afgoden dienen? Als mijn geloof is dat er een G’d bestaat en dat ook IK besta, met andere woorden, er zijn twee Goden: de Eeuwige en de IK, dan ben ik al bezig met afgodendienst. En zolang ik die vorm van afgodendienst niet uit mezelf heb weten te verbannen, zal ik weliswaar tsedaka geven, maar mezelf daarbij erg belangrijk en rijk voelen. Ik doe immers, zo meen ik, aan liefdadigheid!

Van ons wordt verlangd dat we geven aan en klaarstaan voor de medemens, vanuit de optiek dat we daartoe verplicht zijn omdat het de ander toekomt. Dat is tsedaka, gerechtigheid, de Joodse visie op filantropie.

 

 

©Opperrabbijn Jacobs 2014

 

«      1   |   2   
Copyright © 2014 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2021 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.