11 Kislew 5779 | 19 november 2018
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Verleden, heden en toekomst. Samen op de begraafplaats
Publicatiedatum: dinsdag 10 juli 2018 Auteur: Opperrabbijn B. Jacobs | 254 keer gelezen
Opperrabbijn Jacobs, Leven, dood en Opstanding der doden »

Afbeelding©Lodz Jewish Cemetery Records

Verleden, heden en toekomst. Samen op een Joodse begraafplaats. Een begraafplaats is triest, maar natuurlijk. Zoals een wieg bij het begin van het leven hoort, zo hoort het graf bij het eind … Immers, wij zijn allen terminaal, omdat we ook allen eens geboren werden. En toch huil ik vaak als ik een Joodse begraafplaats bezoek.

Waarom eigenlijk een graf? Waarom een wassing van het lichaam? Waarom een begrafenisceremonie en een grafzerk? Ontstaat de baby uit het niets? En is de overledene verdwenen, terwijl zijn resten aan het stof der aarde zijn toevertrouwd? En waarom is er pijn en kommer en zien we helaas zoveel verdriet en lijden in ons aardse bestaan?

Het Jodendom gelooft dat niet iets in het niets kan verdwijnen. En ook iets kan niet uit het niets ontstaan. Adam, de eerste mens, heette A-Dam. De A, de Alef, de eerste letter van het Joodse alfabet, heeft als getallenwaarde één. Één wijst op de ziel, een stukje van de Eeuwige die Een en Enig is. Dam betekent bloed en staat symbool voor het lichaam, dat alleen kan functioneren en leven, als het bloed in alle lichaamsdelen ongestoord kan stromen.

De dood doet de ziel niet verdwijnen en de geboorte doet de ziel niet ontstaan. Bij de geboorte neemt een ziel plaats in een lichaam en bij het sterven verlaat de ziel dat lichaam. De combinatie van lichaam en ziel maakt dat een mens leeft. De Joodse wet verplicht de mens om alles in het werk te stellen om een leven te redden, de combinatie van lichaam en ziel in stand te houden. Maar als het samengaan niet meer gaat, als de dood zijn intrede doet, is het niet afgelopen. De ziel blijft ook na het sterven bestaan, zoals hij er ook al was voor de geboorte. Ook de verbintenis met het lichaam, hoewel nu van een geheel andere orde, blijft. Vandaar de veelheid aan wetten, gewoonten, gebeden en zorgvuldigheid bij het sterven, na de dood, bij de rituele wassing van het lichaam, tot de begrafenis, tijdens de begrafenisplechtigheid en ook daarna. Dit alles om de rust van de ziel niet te verstoren. En dus ook een eeuwig graf, een eeuwige rustplaats. Geen ruimen na dertig of vijftig of honderd jaar en zeker geen crematie. Want er is meer dan alleen het leven hier op aarde. De grafzerk, matsewa, wijst op de verbinding tussen het toen en nu. De matsewa geeft aan dat er ook na de dood iets is gebleven. Er wordt een link gelegd tussen het leven op aarde en het eeuwige leven.

Maar wel een verwijzing naar dit aardse bestaan op de grafzerk, want ook dit aardse tijdelijke verblijf is van zeer groot belang binnen het veel grotere geheel. De Joodse naam staat vermeld met vaak de naam van de ouders en van de echtgenoot of echtgenote. Datum van geboorte en datum van sterven. Ook wordt vermeld wat de functie was van de overledene: was hij een bestuurder van de Joodse Gemeente, een rabbijn? Heeft hij Joods wettelijke belangrijke boeken gepubliceerd of ging hij voor in de synagogale diensten? Soms staat er op de zerk een ramshoorn (sjofar) afgebeeld, wat erop duidt dat hij op Joods Nieuwjaar (Rosj Hasjana) in de synagoge op de ramshoorn blies. Of we zien de gereedschappen van de besnijder (moheel) afgebeeld. Twee handjes bovenaan de zerk vertellen ons dat hij een nazaat was van Aharon de Hoge Priester en dus tot de priesterstam behoorde. In de synagogale dienst zegenen de priesters (Kohaniem) het volk door hun handen vooruit te steken, als het ware boven de hoofden van de aanwezigen, terwijl de aloude priesterzegen, zoals vermeld in de Thora, wordt uitgesproken. Maar voordat de Kohen, de priester, het volk kan zegenen worden eerst zijn handen ritueel overgoten met water dat uit een kan wordt aangereikt. De Levieten, de hulppriesters, hebben de eer om deze reiniging van de handen van de Kohen te verrichten. En dus zien wij op de grafzerk van een Leviet, een nazaat van Mozes, een kan afgebeeld. Het Kohen of Leviet zijn wordt via de vader overgeleverd, terwijl bij het Jood-zijn juist de moeder bepalend is.

Maar waarom plaatsen we eigenlijk een grafzerk? Om het goede tijdens het leven verricht te vermelden? Heeft de overledene dat nog nodig? Zijn haar of zijn verdiensten Boven niet bekend? Is het een soort paspoort om de grens tussen het aardse bestaan en het leven na dit leven te overschrijden, de grens tussen leven en dood? Als Aartsmoeder Rachel wordt begraven plaatst Aartsvader Jacob een gedenkteken. Dit is de eerste grafzerk die vermeld wordt in de Thora en waarvan de gewoonte afkomstig is om bij iedere overledene een grafzerk, matsewa zoals dat in het Jodendom wordt genoemd, te plaatsen. Maar het Jodendom doet niet alleen maar aan ‘ter herinnering aan’. Er is altijd sprake van een eenvoudige betekenis, maar tegelijkertijd zitten er aan die eenvoudige betekenis ook diepere filosofische en kabbalistische mystieke betekenissen gekoppeld. Als eenvoudige reden voor het plaatsen van een matsewa kunnen we noemen: respect. Maar het gaat veel en veel dieper. Omdat de verbintenis tussen de stoffelijke resten en de ziel blijft bestaan, is het weten waar een dierbare begraven ligt van belang voor het uitspreken van gebeden, maar ook noodzakelijk als onderdeel van een veel breder verhaal. De ziel die van Boven naar beneden was afgedaald en zich nu weer Boven bevindt.

En dus is er logischerwijs een veelheid aan Joodse begraafplaatsen, want de eeuwige rust staat zeer hoog in het Joodse vaandel, door de eeuwen heen. Overal waar een Joodse Gemeenschap was en is, is er een Beth Chaïm, een Huis van het Leven. Huis van het Leven, noemen wij de dodenakker. Want het leven begint niet bij de geboorte en eindigt niet bij de dood. Uiteindelijk zullen de doden weer herrijzen aan het einde der tijden. Sterven is geen eindstation en een graf is niet een laatste bestemming. De dood is slechts een tussenstation.

Het aardse bestaan is dus een onderdeel van een veel langer, bijna eeuwig bestaan. Er wordt een parabel gebracht van een vissersdorpje waar een schip vertrekt en tegelijkertijd ook schepen terugkomen na een lange en behouden vaart. Waarom, vraagt een jongetje zich af, staan we met vlaggetjes een vertrekkend schip uit te wuiven? Wat is de vreugde? Wie verzekert ons dat het schip geen schipbreuk zal lijden? Wie kan voorspellen of er een goede vangst zal zijn? Waarom dat vreugdevolle uitwuiven? Maar bij het schip dat gezond en wel is teruggekeerd van een lange reis, staat niemand te juichen! Vanwaar deze discrepantie?

Zo ook kunnen we ons afvragen waarom bij een geboorte vreugde is en bij sterven verdriet. Wie kan garanderen dat de pas geborene een goed mens zal worden? Misschien wordt hij een moordenaar, een door en door slecht figuur waaraan anderen alleen maar lijden? Waarom vreugde? Zal het nieuwe mensje schipbreuk lijden? Wie kan het zeggen? Maar juist als na een welbesteed leven een ziel afscheid neemt van dit aardse bestaan en hij als het ware na een succesvolle tocht weer veilig en wel naar de thuishaven is teruggekeerd, zou er eigenlijk echte vreugde moeten zijn. Terughoudendheid bij geboorte en vreugde bij het sterven …
Maar de Joodse wet gebiedt ons om niet naar het aardse bestaan van boven naar beneden te kijken, maar van beneden naar boven. En dus, ondanks de relativiteit van de vreugdevolle geboorte en de betrekkelijkheid van de verdrietige begrafenis, gebiedt ons de Joodse wet om vanuit het aardse te redeneren. En dus is er vreugde bij geboorte, zijn er vlaggetjes en huilen wij bij het verlies van een dierbare en is vreugde zelfs een verbod.

1   |   2      »      
Copyright © 2018 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2018 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.