12 Chesjwan 5779 | 21 oktober 2018
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Verleden, heden en toekomst. Samen op de begraafplaats
Publicatiedatum: dinsdag 10 juli 2018 Auteur: Opperrabbijn B. Jacobs | 223 keer gelezen
Opperrabbijn Jacobs, Leven, dood en Opstanding der doden »
Een inboorling die zijn hele leven in de jungle heeft geleefd en totaal onbekend is met de technische vooruitgang van de samenleving, is verdwaald en bevindt zich is het centrum van een moderne stad. Elektriciteit, auto’s, trams, verlichting, straten, gebouwen, kleding … niets is hem bekend, alles is nieuw en vreemd. Hij is en voelt zich totaal verdwaald. Onze inboorling, volledig verrast door deze voor hem onbekende wereld, gaat een gebouw binnen. Hij loopt door lange gangen en komt uiteindelijk uit op een balkon. Hij kijkt naar benden en ziet een grote zaal waarin gesluierde mannen en vrouwen rondlopen. Aan de muur hangen zagen, hamers en ander gereedschap. Midden in de zaal staat een tafel. Op de tafel een wit laken en vanonder dit laken is een voet zichtbaar. Er wordt een seintje gegeven en men stort zich op de voet. Het bloed spuit er uit en onze inboorling valt ter plekke flauw: zo een sadistisch tafereel had hij nog nooit gezien! Hij was in de operatiezaal van een ziekenhuis beland. De gesluierde mannen en vrouwen waren de verpleegsters en artsen. De hamers en de zagen waren de gesteriliseerde operatiegereedschappen.
Op de tafel onder het laken lag de patiënt. Hij moest geopereerd worden. De operatie deed pijn, maar had tot doel om de patiënt te genezen. Het leven is als een operatie. Soms erg pijnlijk. Maar er is iets voor en er is iets na de operatie. Onze inboorling fixeerde zich uitsluitend op de operatie. Het voor en na was hem onbekend. Ook wij stervelingen zien uitsluitend de operatie die we het leven noemen. Maar wij moeten beseffen dat het leven een onderdeel is van een veel en veel groter gebeuren. Er is iets voor en er is iets na. Ons aardse bestaan, is slechts een vaak pijnlijke en kortdurende operatie. Moet en mag ik dus juichen als er pijn, ziekte en verdriet is? Een operatie is toch een goede zaak?

Hoe diep en spiritueel het Joodse denken ook aankijkt tegen het leven, voor het leven en na dit aardse bestaan, toch zijn wij aardse mensen verplicht om met ziekte naar de dokter te gaan en armoede te bestrijden. Nooit mogen we zeggen of denken dat kommer en kwel ook van Boven komen en dus mogen we er ons niet tegen verweren. Pas als de arts niet kan genezen en het lijden niet afgewend kan worden, dan moeten wij ervan doordrongen zijn dat ons aardse bestaan slechts een korte tussenfase is, tussen ervoor en erna. G’ds wegen zijn niet te doorgronden en dus moeten we, als er geen andere keuze is, aanvaarden, ook als wij het menselijkerwijs niet kunnen bevatten. “Mijn Daden zijn niet uw daden en Mijn Gedachten zijn niet uw gedachten,” spreekt de Eeuwige G’d.

Er worden gebeden uitgesproken voor de zielenrust van de dierbare overledenen. Deze gebeden worden gezegd tijdens de begrafenis door de functionaris die de dienst leidt. Mannelijke nazaten en eerstegraads bloedverwanten spreken het kadiesj-gebed uit. In dit gebed, het meest bekend, wordt de Grootheid en Verhevenheid van G’d beschreven en het is dus in feite een soort acceptatie van het verlies van de dierbare. In de Joodse mystiek wordt aangegeven dat het uitspreken van dit gebed door de nazaten het welzijn van de ziel van de overledene ten goede komt. Het gebed heeft dus een dubbelfunctie: troost en aanvaarding voor de nazaten, maar ook ondersteuning voor de zielenrust van de overledene. Gedurende het treurjaar zeggen de nazaten dagelijks tijdens de diensten in de synagoge kadiesj. Als een kind niet in de gelegenheid is om dagelijks de synagoge te bezoeken, wordt er vaak iemand ‘ingehuurd’ om toch dagelijks kadiesj te zeggen. Tijdens de begrafenis wordt er gewoonlijk ook een hespeed, een treurrede, uitgesproken. De bedoeling van de treurrede is om de goede daden van de overledene te vermelden en als het ware de ziel op zijn weg naar ‘boven’ met deze goede daden te begeleiden. Nazaten bezoeken het graf, want juist op dat graf is de verbintenis met de ziel sterker aanwezig. Wij leggen een steentje op de zerk. Geen bloemen, want die vergaan. Een steentje toont dat zoals een steen niet vergaat, ook de ziel voor eeuwig bestaat en verbonden blijft met de stoffelijke resten van het lichaam dat met zoveel zorg omringd aan de schoot van de aarde is teruggegeven. Maar nabestaanden gaan ook naar graven om de overledene te vragen om bij de Eeuwige onze G’d te pleiten voor de genezing van een zieke of kracht te geven overeind te blijven als een zware last haast niet meer te torsen is. Graven van grote rabbijnen en rechtschapen vrouwen worden veelvuldig bezocht om gebeden uit te spreken. Denk aan het graf van aartsmoeder Rachel, aan de graven van de Aartsvaders, van Profeten, van weldadige Koningen. Maar vergeet niet de kracht van het gebed bij het graf van een eenvoudige onbekende Joodse man of vrouw die zich, om G’ds Naam te heiligen, heeft laten vermoorden en weigerde te knielen voor het kruis tijdens de Inquisitie. Of denk aan een man of een vrouw die zich op een granaat heeft gestort, om de omstanders te behoeden voor een catastrofale zinloze aanslag.

Behalve grafzerken, staande of liggende, treffen wij op de meeste begraafplaatsen een metaheer (reinigings) huisje. Hier vond, voorafgaande aan de begrafenis, de rituele lijkwassing plaats. Vrouwelijke leden van de begrafenisvereniging wassen dames, de heren doen de wassing voor een mannelijke overledene. Ik schrijf met opzet vond plaats, want hoewel we op vele begraafplaatsen het metaheerhuisje nog aantreffen, doet dit meestal alleen dienst als aula waar gebeden en treurredes worden uitgesproken, voorafgaand aan de feitelijke begrafenis. De meeste Joodse gemeenten doen vandaag de dag de rituele wassing op een andere locatie die daarvoor speciaal in is ingericht.

We zien ook vele lege plaatsen op Joodse begraafplaatsen die nog in gebruik zijn. Gereserveerde graven die ongebruikt bleven en blijven. We worden geconfronteerd met begraafplaatsen die eigenlijk veel te groot zijn. Als een dominee lege plaatsen ziet op een begraafplaats, is hij verheugd. De mensen leven! Maar ik huil. Miljoenen in Europa, in Nederland meer dan honderdduizend Joodse medeburgers, waren zo graag een natuurlijke dood gestorven, gewoon dood gegaan vanwege ouderdom of desnoods aan een nare ziekte. Maar een graf bij hun voorouders en familieleden werd hun niet gegund. Ze werden In massagraven gedumpt na een wreed en beestachtig nekschot en vaak nog levend. Via de schoorstenen van de crematoria van de concentratiekampen verdwenen zij in het duistere gat van de vergetelheid. De lege plekken op de Joodse begraafplaats roepen herinneringen op. En daarom huil ik, als ik op een Joodse begraafplaats ben, vanwege de onnatuurlijke lege plaatsen. Van een grafzerk kan ik een mooie foto maken, maar een foto van een leeg graf zonder zerk oogt niet. Ze geeft echter wel een schreeuwende waarschuwing af en spreekt boekdelen ...

©Opperrabbijn B. Jacobs

«      1   |   2   
Copyright © 2018 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2018 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.