17 Elloel 5779 | 16 september 2019
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
De wekelijkse agenda van een rabbijn
Publicatiedatum: zondag 19 juni 2011 Auteur: Dayan mr. Drs. R. Evers | 1.034 keer gelezen
Halacha, Voedsel en Kasjroet, Opperrabbijn R. Evers, Huwelijk, Leven, dood en Opstanding der doden , Arbeidsethos, Commercie en Rijkdom , Mikwe, Minhagiem [Gewoonten en Gebruiken], De rabbijn »

Rabbijn [Dayan] mr. Drs. R. Evers

Geschiedenis van het rabbinaat
De titel Rabbijn wordt afgeleid van het zelfstandig naamwoord ‘Rav’, dat in het Hebreeuws ‘groot’ betekent. Deze term komt als zodanig niet voor in de Tora (Bijbel) maar in het late Misjna-Hebreeuws wordt deze term vaak gebruikt als `meester’ tegenover een slaaf (vgl. B.T. Berachot 10a en Misjna Soekot 2:9). Pas rond het begin van de burgerlijke jaartelling werd deze titel gebruikelijk voor de Wijzen en Geleerden. Het woord ‘rabbi’ betekent letterlijk ‘mijn meester’. De oriëntaalse Joden (Sefardiem) spreken het uit als ‘ribbi’. Daar een ononderbroken traditie van autorisatie (benoeming tot rabbijn) vanaf Mosje Rabbenoe (Mozes, 1312 v.d.g.j.) moet hebben plaatsgevonden en de rabbinale bevoegdheid alleen in Israël mocht worden toegekend, werd de titel rabbi niet gedragen door de Babylonische geleerden die daarvoor in de plaats de titel ‘rav’ aannamen. De titel ‘rabbi’ heeft in de Talmoed (200-500) dus betrekking op een Israëlische geleerde, terwijl de titel ‘rav’ een Babylonische wijze aanduidt.

De tijd van de Talmoed
De rabbijn in de Talmoed was een uitlegger van de Tora (Bijbel) en de mondelinge praktijkleer (de Misjna) en had meestal een ander beroep waarvan hij leefde. Vaak was hij ook leraar, prediker en geestelijk hoofd van Joodse gemeenschappen. Omdat tegenwoordig iedereen met de titel ‘rabbi’ voor de Tora wordt opgeroepen (aldus: Rabbi N.N., zoon van Rabbi N.N.) is nu voor de titel ‘rabbijn’ in het spraakgebruik ‘harav’ (letterlijk: de rabbijn) in zwang. Het meervoud van de term rabbijn in het Hebreeuws, rabbaniem, werd de aanduiding van de orthodoxe hoofdstroom van het Jodendom, die zich baseerde op de autoriteit van de Talmoed en de eerdere Geleerden (Ge’oniem, die leefden tussen 700 en 1000): het rabbijnse Jodendom. Daarmee zette men zich af tegenover de minderheid van de Karaieten, die de autoriteit van de Rabbijnen niet erkenden.

De Middeleeuwen
Gedurende de middeleeuwen stond de titel rabbijn voor geleerde, Joods rechter, sociaal-spiritueel leider en rolmodel (deze functie had overigens niets van doen met de priesterlijke taken). Voorgaan in het gebed, het inzegenen van een huwelijk en het leiden van een begrafenisceremonie is pas een integraal onderdeel geworden van de functie van rabbijn aan het begin van de 19e eeuw toen de Reformbeweging opkwam. Of men overigens wil voorgaan in het gebed of mensen wil zegenen is tot de dag van vandaag een persoonlijke keus gebleven. Toezicht op huwelijken en echtscheidingen is tegenwoordig echter wel een integraal onderdeel van de rabbinale taak geworden omdat hiervoor veel juridische (halachische) kennis nodig is. Het houden van derasjot (predikaties) was altijd al een onderdeel van de rabbinale functie, omdat de rabbijn de wet uitlegde voor het volk en tevens de gezaghebbende spiritueel leider was.

Status
De ballingschap – ons 2000-jarig verblijf buiten Israël – leidde tot een afbrokkeling van centrale autoriteit. Hierdoor werd het aanzien, de invloed en de macht van de lokale autoriteit steeds groter. Iedere rabbijn is de mara de’atra, de ‘koning van zijn plaats’. Er bestaat geen officiële hiërarchie tussen de verschillende rabbijnen, tenzij dit lokaal zo geregeld is in reglementen of werkverhoudingen. De enige hiërarchie, die men zou kunnen aanwijzen, is die van persoonlijk, intellectueel en zedelijk overwicht.

Honorair
Oorspronkelijk was de functie van rabbijn honorair. Dat heeft te maken met het feit dat men zonder tegenprestatie onderwees en rechtsprak. Pas in de 14e eeuw is er duidelijk bewijs van salariëring van rabbijnen. Toen rabbi Sjimon ben Tsemach Duran in 1391 moest vluchten voor pogroms en in Algerije arriveerde, wilde de lokale gemeente hem aanstellen als rabbijn. Rabbi Sjimon zei toen dat hij niet als rabbijn kon functioneren, omdat hij geen inkomen had. Daarom gaven de Algerijnse gemeenteleden hem sechar battala – compensatie voor het verlies aan tijd dat hij met de rabbinale zaken moest bezig zijn. Op die manier werd het verbod op salariëring van rabbijnen omzeild en ontving hij alleen maar een vergoeding, omdat hij niet in staat was om gewoon inkomen te verdienen. Dit is de enige juridische basis waarop een rabbijn salaris mag ontvangen. Uit verschillende responsa uit Frankrijk uit de 14e eeuw blijkt dat van de rabbijn een zeer gedegen kennis van de leer werd verwacht. Hij moet als persoon volstrekt integer zijn en zowel in karakter als in gedrag met kop en schouders boven de gemeente uitsteken. Op deze kwaliteiten werd en wordt de rabbijn beoordeeld. De Asjkenazische (Westerse, Duitse) rabbijnen ontvingen als bewijs van bekwaamheid en geleerdheid het zogenaamde `semicha’-diploma.

Centrale Rabbinale autoriteit
Reeds vroeg in de Joodse geschiedenis ontstond het idee, dat er een centrale rabbinale autoriteit per plaats moest zijn: de ‘mara de-atra’ (de heer van de plaats, Opperrabbijn). Andere geleerden in de gemeente moesten zich onderwerpen aan zijn autoriteit. In Polen en Litouwen was het in de 16e en 17e eeuw gebruikelijk dat de plaatselijke rabbijn tevens ‘rosj jesjiewa’ (hoofd van een leerschool) was. Dit verleende de rabbinale positie veel gezag en prestige. Tot op de dag van vandaag is dit het concept van het rabbinaat gebleven in vele westerse en Israëlische gemeenten: een rabbijn is een geleerde en een leraar, rechter en spirituele leider. Zijn rechten en plichten worden over het algemeen beschreven in het ‘ktav rabbanoet’ (aanstellingsbrief).
De afgelopen 150 jaar zijn er centralistische tendensen ontstaan, waarbij de rabbinale functies gecentraliseerd werden, zoals het Opperrabbinaat van het Britse Gemenebest en het Opperrabbinaat van Israël. In Amerika bestaat er weinig gecentraliseerde rabbinale autoriteit en is de rabbijn vooral een rabbijn van zijn synagoge. In de Chassidische gemeenschappen zijn alle rabbijnen en geleerden onderworpen aan de autoriteit van de Tsaddiek (religieuze leider, de ‘Rebbe’). Bij andere vormen van Jodendombeleving is de ontwikkeling ongeveer gelijk gegaan als hierboven geschetst.

Gedegen kennis
Een rabbijn moet goed op de hoogte zijn van de Talmoed. Ook dient hij gedegen kennis te hebben van de zeden- en godsdienstleer en leerstellingen van de Tora. Hij moet vele wijsgerige verklaringen van de Tora kennen en kunnen citeren uit de beste schrijvers hierover. Tevens moet hij geschiktheid tot het geven van religieus onderwijs bezitten. Verder moet hij zeer bedreven zijn in de verklaring van de Talmoed. Ook moet hij zeer bedreven zijn in de gehele Joodse Codex. Hij moet op basis van de Talmoedische grondstellingen schriftelijke vragen kunnen beantwoorden over juridische problemen van de meest uiteenlopende aard.

Veelzijdig
Rabbinaal werk is zeer veelzijdig en bestaat naast pastorale, educatieve, media en representatieve bezigheden uit de volgende specifieke werkzaamheden:

I. Het beantwoorden van alle halachische (joods-juridische) kwesties en lidmaatschap van het Beth Din, de Rabbinale rechtbank, die zeer uiteenlopende zaken moet behandelen, van echtscheidingen tot financiële meningsverschillen en gedingen;
II. Het verzorgen van kosjer eten en het afgeven van hechsjeriem;
III. Huwelijkssluiting en voorlichting inzake het mikwe;
IV. Het vaststellen van de joodse kalender (loe’ach);
V. Het leiden van begrafenissen.

Pagina index:
Copyright © 2011 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2019 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.