20 Chesjwan 5780 | 18 november 2019
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     IsraĆ«l     Media     Publicisten     
Lief en leed in de Omertijd
Publicatiedatum: maandag 06 mei 2013 Auteur: Dayan mr. drs. R. Evers | 877 keer gelezen
Omer tellen, Lag Be'omer, Opperrabbijn R. Evers, Moessar [ethiek] »

Het Omertellen benadrukt de waarde van tijd niet zozeer in de zin van “time is money” (kwantiteit) maar meer in kwalitatieve zin, “time is spirit”. Binnen sommige Chassidische groeperingen is het gebruikelijk voor het slapen gaan een balans op te maken van de spirituele verworvenheden van de afgelopen dag. Evenals een zakenman met sluitingstijd de balans van zijn kas opmaakt, maakt de Jood balans op van de wijze, waarop hij de afgelopen vierentwintig uur heeft besteed. Daarom staat er ook in de Tora bij de Omertelling (Leviticus 23:15) “u moet voor uzelf tellen”, waaruit de Talmoed deduceert, dat het Omertellen een individuele aangelegenheid is. Iedereen moet proberen voor zich tot een positief resultaat te komen aan het einde van iedere tijdseenheid. Een belangrijk gegeven in een tijd, waarin velen de persoonlijke verantwoordelijkheid van zich afschuiven en de schuld van ieder persoonlijk falen toeschrijven aan de regering, de maatschappij, het systeem of andere ongrijpbare grootheden.

Rouwperiode
Het terugwerpen van het individu op zichzelf wordt met name tegenwoordig als onaangenaam ervaren. De Omertijd confronteert ons met onze persoonlijke verantwoordelijkheden in de intermenselijke situatie. Volgens de traditie is de reden van de rouwstemming gedurende de Omertijd het overlijden van de 24.000 leerlingen van Rabbi Akiwa, die leefden in de tweede eeuw. De Talmoed verwoordt dit als volgt (B.T. Jewamot 62b): “Rabbi Akiwa had 12.000 paren leerlingen van Giwat tot Antipras en allen stierven juist gedurende de Omer-periode, daar zij elkander niet eervol bejegenden”. Daarom is het een oude Joodse gewoonte gedurende de Omertijd bepaalde rouwgebruiken in acht te namen. Zo huwt men niet in deze periode, maakt men geen muziek en vele mannen scheren zich niet. Vreemd; omdat er ongeveer 1800 jaar geleden 24.000 leerlingen van Rabbi Akiwa – nota bene door hun eigen schuld, zoals de Talmoed aangeeft – overleden, moeten wij tegenwoordig nog rouwgebruiken in acht nemen?!

Maar helaas is er sinds de tweede eeuw niet veel veranderd. Ook nu nog gaat het Joodse volk gebukt onder verdeeldheid en onverdraagzaamheid. Er is geen reden meer om te treuren? Ik zou haast willen zeggen, dat er juist tegenwoordig reden te over is om te treuren, daar wij nog steeds niet geleerd hebben elkaar eervol en positief te bejegenen. De Omertijd is de tijd van het verbeteren van de relatie met de medemens, een tijd van bezinning over de “zondeval” van het Joodse volk, juist in onze dagen.

Lag ba’Omer
Lag baOmer, de drieëndertigste dag van de Omer, wordt echter feestelijk gevierd, omdat op die dag de sterfteplaag onder de studenten van Rabbi Akiwa ophield. Dit feit wordt niet in de Talmoed vermeld maar is een traditie van verschillende Geoniem, die leefden tussen 750 en 1000. Op deze dag worden veel choppes gepland en is het – volgens de Asjkenazische ritus – weer geoorloofd naar de kapper te gaan. Speciaal in Israel wordt Lag baOmer nog echt gevierd. Schoolkinderen maken uitstapjes, ontsteken vreugdevuren en spelen met pijl en boog. Met name in het stadje Meron bij het graf van Rabbi Sjimon bar Jochai is de vreugde uitbundig, omdat Rabbi Sjimon bar Jochai op Lag baOmer overleed. Het is binnen Chassidische groeperingen gebruik geworden om op Lag baOmer naar Meron te trekken om aldaar het haar van jongetjes van om en nabij de drie jaar voor het eerst te knippen en fakkels te ontsteken. Men knipt een jongetje gedurende de eerste drie jaren niet en op Lag baOmer laat men voor het eerst de “peijes” staan om het kind op te voeden in het verbod om de “hoeken van het hoofd te knippen” (Leviticus 19:27). Hierbij wordt gezongen en gedanst.

Dit hele gebeuren in Meron wordt omgeven door een waas van mystiek. Kinderen spelen met pijl en boog, omdat de verdiensten van Rabbi Sjimon bar Jochai zo groot waren, dat de regenboog gedurende zijn leven nooit werd waargenomen. In het eerste boek van de Tora wordt de regenboog beschouwd als teken van de belofte van G’d aan de mensheid, dat Hij nooit meer een Zondvloed over de aarde zou brengen. Dit teken was gedurende het leven van Rabbi Sjimon bar Jochai niet nodig. Zijn verdiensten waren voldoende om de mensheid te beschermen tegen rampspoed.

Eigenlijk is het niet goed te begrijpen, dat de jaartijddag van Rabbi Sjimon zo uitbundig wordt gevierd. Binnen het Jodendom is de jaartijddag eerder een dag van ernstige bezinning dan een gelegenheid van uitbundige vreugde. Rabbi Sjimon was een van de leerlingen van Rabbi Akiwa, die de sterfteplaag overleefden. 24.000 leerlingen van Rabbi Akiwa stierven. Zij konden elkaar niet verdragen.

Het was geen ordinaire haat, die de leerlingen van Rabbi Akiwa beheerste. Het was alleen zo, dat iedere leerling zo overtuigd was van het feit, dat de wijze, waarop hij G’d diende en zijn Jodendom beleed, de enige juiste was, dat hij dit probeerde op te dringen aan zijn medeleerlingen. Daar dit over en weer gebeurde, leidde dit tot teleurstelling in de medemens. Het is niet juist een ander te willen overtuigen van het eigen religieuze gelijk. Onze Wijzen stellen (B.T. Sanhedrien 38a), dat geen mens gelijk is aan een ander. Dit geldt te meer voor de religieuze beleving. Sommigen dienen G’d uit liefde, anderen uit ontzag en weer anderen dienen het Opperwezen met volledige onderwerping.

Vele leerlingen van Rabbi Akiwa konden het grote principe van hun leraar “heb uw naaste lief als uzelf – dit is de hoofdregel van de Tora” niet waarmaken. Rabbi Sjimon bar Jochai was hiertoe wel in staat en wel op zo een uitzonderlijke wijze, dat dit zich aan het menselijk oog onttrok. Rabbi Akiwa voegde hem eens toe: “Wees er tevreden mee, dat ik en je Schepper je grootheid weten te waarderen” (J.T. Sanhedrien 1:2). Rabbi Sjimon blonk uit in twee aspecten: hij leerde Tora met volledige overgave en beminde zijn medemens werkelijk als zichzelf. Beide aspecten van deze persoonlijkheid waren met elkaar verweven. Indien men de Leer van G’d zonder bijbedoelingen (“kowed” etc.) kan bestuderen omdat dit gegeven werd door G’d, is men ook in staat de medemens zonder discriminatie te benaderen, als schepsel van dezelfde G’d. Indien men van de Vader houdt, heeft men zijn kinderen ook lief.

Wellicht klinkt dit de gemiddelde burger wat hoogdravend in de oren. Maar onze traditie leert, dat “niets aan een serieuze wil in de weg kan staan”. Rabbi Sjimon was niet voor niets een leerling van Rabbi Akiwa. Rabbi Akiwa was de man van de volharding. Veertig jaar lang was hij een eenvoudig herder. Toen hij trouwde met Racheel moedigde deze hem aan om de Tora te gaan bestuderen. De Talmoed vertelt, dat Rabbi Akiwa het bijzonder moeilijk had, toen hij met zijn Tora-studie begon. Hij was veertig jaar, volledig ongeletterd en straatarm. Eens zag hij hoe voortdurend druppelend water een gaatje in een harde rots had gemaakt. Hij zei tot zichzelf: “De rots is hard, het water zacht en de druppeltjes klein. Maar toch maakt het water, wanner het regelmatig valt, een uitholling in de rots. Als ik doorzet en volhardt, zal ik mijn problemen kunnen overwinnen”. Wat mogelijk bleek op het intellectuele vlak, moet ook mogelijk zijn op het emotionele en intermenselijke vlak.

Het is mijns inziens niet toevallig, dat de figuur van Rabbi Akiwa bij het Omertellen centraal staat. Tellen en tolerantie jegens de ander zijn met elkaar verbonden. Een interessant aspect van het tellen is, dat de kwaliteit of eigenschappen van de getelde personen of zaken irrelevant zijn voor de telling. Toen het Joodse volk aan het begin van het boek Numeri geteld werd, maakte het geen verschil of de getelden zeer belangrijk, voornaam of geleerd waren. Iedereen gold als niets meer en minder dan een. Binnen ons volk vindt men de grootste intellectuelen en de meest domme mensen. Wanneer wij bijvoorbeeld bij het dagelijkse gebed een minjan (tien mannen) nodig hebben dan maakt het geen verschil of er tien intelligente of tien simpele mensen staan. Zijn er negen grote Rabbijnen dan maakt een jongetje, dat net Bar-Mitswa geworden is het vereiste getal vol. De Midrasj leert, dat “indien er bij het geven van de Tora slechts een van de 600.000 Joodse mannen ontbroken had, de Tora niet gegeven zou zijn”.

Waarom is dit zo? Omdat wij allen een ding gemeen hebben: de vonk G’ddelijkheid, de nesjama of nesjomme. En indien wij in staat zouden zijn alleen op dit allerbelangrijkste menselijke aspect te letten en voorbij te gaan aan allerlei onhebbelijkheden van onze medemens, die stammen uit lagere regionen van het mens-zijn, dan zullen wij kunnen koment tot wat een “Einheitsgemeinde” in de werkelijke zin van het woord genoemd zou kunnen worden. Rabbi Sjimon bar Jochai kon zijn medemens op dit hoge niveau schouwen en waarderen. Met zijn dood had hij dit levensideaal waargemaakt en bij zich geperfectioneerd. Vandaar, dat zijn jaartijddag voor het hele volk Israel tot op de dag van heden vreugdevol gevierd wordt.

©Dayan R. Evers 2013

Copyright © 2013 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2019 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.