 De gedetailleerde beschrijving van de grenzen In de tweede van de twee Tora-afdelingen van deze week geeft G-d Mosjé opdracht om het Joodse volk te bevelen en te zeggen (Bamidbar/Num. 34:2): „Wanneer jullie in het land Kena'an komen, dan zal het land jullie als ergfgoed zijn, overeenkomstig zijn grenzen." De Tora gaat dan verder met een gedetailleerde beschrijving van de grenzen van het land Israël. Over de hele wereld werden door de hele geschiedenis heen vele oorlogen gevochten tussen buurlanden over de exacte ligging van de wederzijdse grenzen. Daar het Joodse volk begon aan het laatste deel van hun lange reis door de woestijn en op het punt stond om het land van hun voorvaderen te veroveren, is het begrijpelijk dat G-d hen adviseerde omtrent de grenzen van het land dat zij gingen veroveren.
Rasji's raadselachtig commentaar Rasji's commentaar lijkt daarom nogal raadselachtig als hij over het bovenstaande vers schrijft: „Vele mitswot gelden voor het land Israël, die niet daarbuiten gelden. Daarom moest Tora de grenzen zo nauwkeurig vaststellen aan alle kanten, om ons te leren waar binnen deze grenzen de speciale mitswot voor het land gelden." Maar als we het doel van Tora analyseren en waarom het is geschreven, is Rasj'is commentaar onbegrijpelijk. De Tora is een boek met instructies hoe men de geboden van G-d moet uitvoeren; als zodanig is het duidelijk dat Tora ons ook moet vertellen waar die geboden van toepassing zijn. Tora beschrijft geen geografie alleen maar om de diverse nationaliteiten vast te stellen. Alles wat in Tora is opgeschreven is een les voor het Joodse volk voor alle generaties. Zelfs vandaag hebben de grenzen grote betekenis voor de mensen die in Israël volgens Tora leven. Men moet weten waar de mitswot voor de landbouw gelden, zoals het afscheiden van de diverse tienden en voor de wetten van Sjemita (het zevende jaar dat het land braak ligt).
Natuurlijke hulpbronnen De Tora leert ons dat de betekenis van het Heilige Land niet alleen maar een nationaal thuisland is, zoals andere landen in de wereld. Het is ook niet van belang voor hulpbronnen die misschien in de grond gevonden kunnen worden, hoewel Tora beschrijft dat dergelijke rijkdommen wel bestaan. Zoals er geschreven staat (Dewariem/Deut. 8:7-9): „Hasjem jullie G-d brengt jullie naar een goed land, een land van stromende rivieren... een land van tarwe en gerst... een land waar je brood zult eten zonder armoede ...een land waar de stenen van ijzer zijn en waar je koper uit de bergen zult houwen." G-d gaf het Joodse volk niet de opdracht om het Heilige Land te veroveren voor haar materiële rijkdom, maar Hij gebood ons om het in bezit te nemen wegens haar speciale spirituele waarde.
Awraham wist de richting De eerste keer dat G-d zich aan onze aartsvader Awraham openbaarde, gaf Hij hem opdracht om zijn vaderland en zijn ouderlijk huis te verlaten, om te gaan naar een land dat G-d hem zou tonen. Rasji wijst erop (Bereisjiet/Gen. 12:1) dat G-d niet onmiddellijk aan Awraham onthulde wat zijn bestemming was. De voor de hand liggende vraag is: hoe wist Awraham in welke richting hij moest reizen? De Ramban (ibid.) suggereert dat Awraham wel wist dat het land Kena'an een land van speciale spirituele kwaliteit was, en hij begreep dat dit het land moest zijn dat G-d in gedachten had om hem en zijn kinderen in erfenis te geven. Awraham wist niet welk deel van het land Kena'an hij zou krijgen, noch of hij heel dat land zou krijgen, maar hij twijfelde er niet aan dat hij in de richting van het land Kena'an moest gaan.
In de voetsporen van Awraham Door de hele geschiedenis heen ondernamen Joden, die in relatieve vrede leefden in de Diaspora, de gevaarlijke reis naar het land van hun voorvaderen, om daar te leven. Zij zagen af van hun veilige leven in de rijke gemeenschappen om de moeilijkheden en ontberingen van het Heilige Land op zich te nemen. Op die manier volgden zij in de voetsporen van Awraham, en gaven zij gehoor aan de behoefde om een leven van spiritualiteit te leven. Zij ervaarden letterlijk de woorden van de Talmoed (Bawa Batra 158b), dat de lucht van Israël de geest ontwikkelt met een speciale capaciteit om de wijsheid van Tora te begrijpen en om te leven op een hoger spiritueel niveau.
Het dienen van afgoden Het verschil voor een Jood om te leven in het land Israël of de Diaspora is veel meer dan alleen maar een keuze van woonplaats of een thuisland. De Tora zegt (Wajjikra/Ex. 25:38): „Ik ben Hasjem, jullie G-d, die jullie uit het land Egypte gevoerd heeft, om julle het land Kena'an te geven, om voor jullie tot G-d te zijn." De laatste woorden van dit vers lijken overbodig. De Talmoed (Ketoebot 110b), zoals door Rasji geciteerd wordt, legt uit dat deze extra woorden zijn geschreven om ons een wijze les te leren: „Ieder die in het land Israël woont, Ik zal zijn G-d zijn", zegt G-d, „maar wie het land Israël verlaat om in de Diaspora te wonen, wordt beschouwd alsof hij afgoden dient."
Alsof men G-d verlaat De grote Kabbalist Rabbi Jehoeda Loew (de Maharal) wijdt uit over de woorden van de Talmoed en verklaart dat G-d direct toezicht houdt op ieder detail dat plaatsvindt in het land Israël, zoals er geschreven staat (Dewariem/Deut. 11:10-12): „Want het land waarheen je komt, om het in bezit te nemen, is... een land waarin Hasjem je G-d speciale interesse heeft, de ogen van Hasjem je G-d waken er voortdurend over..." Daarentegen is het toezicht in ieder land van de diaspora als het ware door G-d gedelegeerd aan een speciale afgevaardigde van Hasjem voor dat land aan het Hemelse Gerechtshof. Het is duidelijk dat deze afgevaardigden geen macht van zichzelf hebben, maar alleen kunnen doen wat G-d hen opdraagt te doen. Niettemin, wanneer iemand de directe supervisie van G-d in het Heilige Land verlaat, om zich in een ander land te vestigen, kan dit worden vergeleken met het verlaten van G-d.
Verkregen door spiritualiteit Een land met zulke speciale spirituele dimensies kan natuurlijk alleen maar verkregen worden door spiritualiteit. Zoals Koning David dat beschrijft (in Tehilliem/Ps. 44:2-4): „G-d, met onze oren hebben we gehoord. Onze vaders hebben het ons verteld... U, met Uw handen heeft volken verdreven... U heeft volken verslagen en verdreven. Want niet met het zwaard verkregen zij het land en hun arm hielp hun niet, maar Uw rechterhand en Uw arm, en het licht van Uw aangezicht, want U was met hen ingenomen."
Koning David gaat verder en zegt (ibid 20:8-10): „Deze met wagens en die met paarden, [d.w.z. zij vertrouwen op hun paarden en strijdwagens] maar wij roepen de Naam van Hasjem onze G-d aan. Zij struikelden en vielen, maar wij stonden op en werden verheven. Eeuwige, redt ons! De Koning zal ons antwoorden op de dag dat wij roepen."
Een leger om tegen vijanden te vechten Dit alles betekent niet dat Koning David het niet nodig vond om een leger te hebben. In tegendeel, toen hij de regering van Koning Sjaoel overnam, na diens dood, zei hij in zijn eerste toespraak tot het volk (II Sjemoeël/Sam. 1:18): „Om de bewoners van Jehoeda te leren met een boog te schieten, zoals geschreven staat in het Boek Jasjar." Met dit Boek Jasjar worden de vijf boeken van Mosjé bedoeld, dat hoofdzakelijk gaat over het leven van de aartsvaderen die de Jesjariem genoemd worden, rechtlijnige mensen. Rasji verklaart dat dit betrekking heeft op Ja'akov wanneer hij Jehoeda zegent met de capaciteit om zijn vijanden te overwinnen (zie Bereisjiet/Gen. 49:8). Koning David begreep dat hij als koning een leger nodig had om zijn volk te beschermen en hun vijanden te bestrijden. Maar hij was zich ook heel goed bewust van het feit dat het regeren van een land vergelijkbaar is met iemands privé-leven. Aan de ene kant moet iemand alles doen wat hij kan om te zorgen voor zichzelf en voor degenen die van hem afhankelijk zijn, en te zorgen voor hun welzijn, aan de andere kant moet men zich er wel steeds van bewust zijn, dat het ten slotte alleen met G-ds hulp is, dat men slaagt. Daarom verklaarde Koning David, dat wanneer de vijand zou komen met de macht van hun wapens en legers, het Joodse volk zou komen met de macht van hun spiritualiteit, hun gebeden, hun Tora-studie en hun mitswot.
Tweemaal duizend van ieder In de eerste van de twee afdelingen van deze week gebiedt G-d Mosjé wraak te nemen op de Midjanieten. Wanneer Mosjé tegen het volk zegt dat zij zich op de oorlog moeten voorbereiden, zegt hij (Bamidbar/Num. 31:4): „Duizend van een stam, duizend van een stam, van alle stammen van Israël zullen jullie naar het leger sturen." Onze Geleerden (Midrasj Rabba 22:2) vragen waarom de woorden „duizend van een stam" herhaald worden. Zij verklaren dat in feite Mosjé iedere stam opdracht gaf tweeduizend man te sturen, duizend naar het front van de strijd en duizend om te bidden. Op een vergelijkbare manier verklaart de Talmoed (Makkot 10a) de betekenis van het vers in Tehilliem (122:3): „Onze voeten stonden stevig in de poorten van Jeruzalem." Zegt de Talmoed: „Wat zorgde ervoor dat onze voeten stevig stonden tijdens de oorlog? Dat waren de poorten van Jeruzalem, waar de Geleerden zich verdiepten in Tora-studie." Dit toont ons duidelijk dat onze speciale kracht in onze mond ligt door middel van onze gebeden en Tora-studie. Dit is de zegen die wij kregen van onze aartsvader Jitschak, toen hij Ja'akov zegende en zei (Bereisjiet 27:22): „De stem [d.w.z. de kracht van de stem] is de stem van Ja'akov" zie Rasji op Bamidbar20:16). Bovendien hebben wij de verdienste nodig van het in acht nemen van de mitswot, om G-ds gunst te verwerven en om de toestemming te verkrijgen om in dit speciale land te mogen wonen. Zoals Rasji commentariëert op het hierboven genoemde vers (Wajjikra/Ex. 25:38): „Ik ben Hasjem, jullie G-d, die jullie uit het land Egypte gevoerd heeft - op voorwaarde, dat jullie Mijn geboden zult aannemen. Het land Kena'an is jullie gegeven ter beloning dat jullie Mijn geboden zult aannemen."
De sterkste macht De geschiedenis herhaalt zichzelf. Opnieuw hebben onze vijanden ons aangevallen en onze jonge soldaten in het land Israël getroffen. Onze harten gaan uit naar de families die hun dierbaren verloren hebben, naar de gewonden en naar al onze broeders en zusters die eindeloze uren in bunkers en schuilkelders zitten, uit angst voor de raketten en ander geschut dat op hen neerregent. In deze tijd van gevaar moeten wij ons bewustzijn versterken, dat zelfs als mag Israël dan een goed uitgerust leger hebben, dat dit niet voldoende is om ons volk dat leeft binnen de grenzen van ons Heilig Land te beschermen. Maar wij moeten eraan denken, dat waar de enige kracht van onze vijand in hun wapens en munitie ligt, wij de sterkste macht ter wereld bezitten: de kracht van G-d Zelf. Maar het is onze plicht en verantwoordelijkheid om te doen wat G-d van ons verlangt en gunst te vinden in Zijn ogen door middel van onze gebeden en Tora-studie. Alleen met deze spirituele activiteiten kunnen wij het verdienen om in vrede te leven in het Heilige Land van spiritualiteit. Moge G-d ons helpen, zodat wij samen, met onze mede-Joden over de hele wereld ons onze kracht realiseren en gebruiken in deze dagen van gevaar. Op deze manier kunnen wij allen ons volk hier in Israël helpen te worden gered van verdere oorlogshandelingen en eeuwige vrede verdienen. En mogen we spoedig deze drie weken van rouw en treurnis zien veranderen in dagen van feestvreugde met de komst van de Masjiach, Amein!"
Deze woorden zijn gebaseerd op een toespraak door Rabbi Avraham Kahn, Rosj Jesjiva van Jesjivat Keter Tora.
Bron: Joods Leven |