26 januari 1531: Een aardbeving veroorzaakte grote angst onder de bevolking van de Portugese stad Santarem. Na afloop zetten monniken de bevolking aan tot geweld tegen de in de stad wonende joden. Deze werden bij strenge vorst de bergen ingedreven waar velen van hen van kou en voedselgebrek zouden omkomen. De overlevenden zouden later naar de stad terugkeren. 26 januari 1942 Uit Wenen vertrok een transport van 1196 joden met bestemming Riga, de hoofdstad van Letland. 26 januari 1943: 1000 joden uit het getto van Theresienstadt werden gedeporteerd naar Auschwitz; 770 van hen werden onmiddellijk na aankomst de gaskamers ingestuurd; 130 jonge vrouwen werden tewerk gesteld in het kamp Auschwitz II Birkenau en 100 mannen in het buitenkamp Goleszow. Van dit transport van 1000 personen zouden bij de bevrijding van het kamp in januari 1945 nog slechts 39 in leven zijn. Tijdens een razzia door de SS in het getto van Stanislawow, Oekiraine, werden 1000 ouden van dagen, zieken en mensen zonder werkvergunning opgepakt; ze werden naar de joodse begraafplaats van de stad gebracht en daar doodgeschoten. 26 januari 1945: Begin van de “dodenmars” van 1000 joodse vrouwen van Neusalz, een werkkamp in Silezië, naar het concentratiekamp Flossenburg in Beieren. De tocht duurde zes weken; bij aankomst op 11 maart waren nog 200 van de 1000 vrouwen in leven. |