11 maart 1919 Opstandelingen onder leiding van hun hetman Sokolovski, richtten een pogrom aan in Radomysl in de huidige Oekraïense oblast Kiëv. Deze tweede pogrom binnen 1 maand durende drie dagen en kostte 33 joden het leven, veel joden raakten door sabelhouwen gewond en verminkt. 11 maart 1941: 2000 joden uit de stad Plock (PL) werden overgebracht naar het getto van Tomaszow Rawski in Lodz. Het aantal joden in dit getto bedroeg op ten duur 15000. per dag stierven tientallen als gevolg door mishandelingen van de Nazi’s. 11 maart 1942: 1001 joden (mannen, vrouwen, kinderen) werden van Theresienstadt overgebracht naar het doorgangskamp in Izbica (PL). Na enkele weken zouden zij worden gedeporteerd naar vernietigingskampen Chelmo, Belzec en Sobobor. Zeven van al deze mensen waren tijdens de bevrijding nog in leven. 850 joodse inwoners van Radoskowice (toen PL nu Wit-Rusland) werden door de Duitsers neergeschoten. Resterende 350 joden werden in een getto gegooid. 11 maart 1943: Alle joodse inwoners van de stad Skopje in voormalige Joegoslavië werden door de Duitsers opgepakt en werden samen met de joden uit andere plaatsen uit Macedonië in een verlaten fabriekscomplex gegooid waar zij zonder eten en sanitaire voorzieningen aan hun lot werden overgelaten. 11 maart 1944: 300 joodse vrouwen en kinderen, afkomstig uit het noorden van Dalmatië, die geïnterneerd waren in het eveneens in Dalmatië gelegen kamp Gospic, werden weggevoerd naar concentratiekamp Jasenovac in de toenmalige Duitse satellietstaat Kroatië. Niemand overleefde dit. |