10 Tisjri 5781 | 27 september 2020
Parasja
Bereesjiet/ Genesis     Sjemot/ Exodus     Wajjikra/ Leviticus     Bamidbar/ Numeri     Dewariem/ Deuteronomium     Combinaties     Feestdagen     
Parasja / Wa'ejra / Inzicht Overzicht | Inzicht | Haftara | Commentaar
Sjemot/ Exodus 6:2-9:35 | door: Zwi Goldberg
En G-d sprak tot Mosjé en hij zei tegen hem: Ik ben Hasjem. En ik ver­scheen aan Awraham, aan Jitschak en aan Ja'akov als G-d, de Almachtige; maar met Mijn naam: Hasjem werd Ik hun niet bekend. (Sjemot 6: 2-3).

Commentaar Ramban [Nachmanides]:
En G-d sprak tot Mosjé - Rasji verklaart: Hij sprak als een rechter [op strenge toon, omdat hier Wajedabber Elokiem staat, en het woord Elokiem - G-d - duidt op het Attribuut van de rechtspraak[1], terwijl er normaliter in Tora staat Wajjedabber Hasjem - en de Eeuwige sprak, hetgeen duidt op het Attribuut van de barmhartigheid], omdat hij harde woorden gesproken had en gezegd had2: Heer, waarom heeft U dit volk ongeluk doen overkomen?" En hij zei tegen hem: Ik ben Hasjem - [d.w.z.] getrouw in het schenken van een goede beloning aan hen die vóór Mij uit wandelen in volmaaktheid3. En in die betekenis vinden wij dat het4 verklaard wordt op een aantal plaatsen, enz. En ik ver­scheen aan Awraham, enz. ... als E-l Sjad-dai [G-d, de Almachtige] - Ik heb hun beloften gedaan en Ik heb tot hen allen gezegd5: Ik ben G-d de Almachtige, maar met Mijn naam: Hasjem werd ik hun niet bekend - Er staat niet geschreven: lo hoda'tie - [Mijn Naam] heb Ik hun niet bekend gemaakt, maar [er staat] lo noda'ti [met Mijn Naam Hasjem] ben Ik hun niet bekend geworden, hetgeen betekent dat Ik hun niet bekend geworden ben in Mijn eigenschap van trouw, om welke reden Mijn Naam Hasjem - Eeuwige - genoemd wordt, die getrouw is aan Zijn woor­den, want zie, Ik heb hen6 beloften gedaan maar Ik ben ze niet nagekomen. Tot zover de woorden van Rasji.

Zijn bedoeling is om te verklaren dat de vervulling van de belofte aan de aartsvaderen nog niet had plaatsgevonden. Hoewel de tijd om die belofte te vervullen nog niet was aangebroken tijdens het leven van de aartsvaderen, en de afwezigheid van het vervullen van die belofte dus geen aanwijzing kon zijn dat Hasjem zich niet aan Zijn beloften houdt, was het feit dat de belofte niet tijdens hun leven vervuld was, was Hij toch niet aan de aartsvaderen bekend geworden als een G-d die Zijn beloften nakomt. Maar met deze verklaring heeft Rasji de tekst niet goed verklaard.6 [Volgens Rasji] had er moeten staan: lo hoda'tie[Mijn Naam Hasjem maakte Ik niet aan hen bekend] in plaats van lo noda'tie[met Mijn Naam Hasjem ben Ik hun niet bekend geworden]. Of er had moeten staan: „En Mijn Naam, Hasjem lo noda' [was niet bekend] bij hen." Misschien is volgens Rasji de betekenis van het vers: „En Mijn Naam is Hasjem [de Eeuwige], welo7 nodati lahem," d.w.z. „Ik was niet met die Naam aan hen bekend gemaakt."

En de geleerde8 Rabbi Awraham ibn Ezra legt uit dat de letter Beet in het woord b'E-l Sjad-dai de volgende betekenis heeft: „En Ik ben verschenen aan Awraham, enz. met de naam E-l Sjad-dai [G-d Almachtig], maar met Mijn Naam de Eeuwige was ik niet aan hen bekend gemaakt."9

Het doel van het vers is dat hij aan de Aartsvaderen verschenen is met Zijn Naam [E-l Sjad-dai], hetgeen betekent dat Hij de overwinnaar  van de hemelse legerscharen is, grote wonderen doet, zonder merkbare veranderingen in de natuurlijke orde van de wereld [zoals in Egypte gebeurde]. Hij redde hen van de hon­gers­nood en in de oorlog redde Hij hen van het zwaard10 en Hij gaf hen rijkdom en eer en al het goede, net zoals al de beloningen die door Tora worden toegezegd in de afdeling van de zegeningen en vloeken.11

Een mens wordt alleen beloond voor het uitvoeren van een mitswa [gebod] of gestraft voor een overtreding door middel van een wonder. Wanneer de mens aan de natuur zou worden overgelaten, zouden zijn daden niets aan hem toevoegen [verbeteren] nog iets aan hem afdoen. Echter beloning en straf in deze wereld, zoals in de hele Tora genoemd, zijn allen wonderen, maar zij zijn verborgen. Zij zien er voor een gewone toeschouwer uit als het gevolg van de natuurlijke orde, maar in werkelijkheid komen zij als beloning of straf. Daarom spreekt de Tora uitgebreid over beloning en straf in deze wereld, en niet over beloning en straf in de Wereld der Zielen.12 Deze beloningen en straffen zijn wonderen, die tegen de natuur ingaan, terwijl het voor de ziel die zich aan G-d bindt de juiste weg is en in overeenkomst met de aard daarvan, om [na de dood] terug te keren tot Hasjem, die hem gegeven heeft.13

En G-d zei tegen Mosjé: „Ik ben aan de Aartsvaderen verschenen met de macht van Mijn arm, waarmee Ik heers over de hemellichamen en help wie Ik heb uitverkozen, maar met Mijn Naam Joed Hei, waarmee alles is ontstaan, werd Ik niet bekend gemaakt aan hen, dat wil zeggen, om nieuwe dingen te scheppen voor hen door in te grijpen in de natuur. En daarom moet je tegen de Israëlieten zeggen: Ik ben de Eeuwige" en hen later de Grote Naam14 bekend maken, want met die Naam zal Ik voor hen wonderen verrichten en dan zullen zij weten dat Ik ben de Eeuwige, Die alles maakt."15

De woorden van Rabbi Awraham ibn Ezra waren hier juist, maar hij was als iemand die profeteerde, zonder het te weten. Zelfs zonder zijn interpretatie had er kunnen staan: „En Ik maakte Mij bekend aan Awraham, enz. met de naam E-l Sjad-dai, maar met Mijn Naam Hasjem maakte Ik Mijzelf niet aan hen bekend". Of er had moeten staan: Ik ben aan Awraham enz.  verschenen... maar met de Naam Hasjem ben Ik niet aan hen verschenen."16 Ibn Ezra kan hierop antwoorden: De profetie van de Aartsvaderen kwam tot hen in een nachtelijk visioen17, maar Hij zei Waëra [en Ik ben verschenen], want Hij verscheen aan Mosjé als van aangezicht tot aangezicht18, daarom zei Hij tegen Mosjé: Ik heb Mij niet aan hen [aan de Aartsvaderen] bekend gemaakt zoals Ik Mij aan jou, Mosjé, bekend maak."


1. Mizrachi -
2. Sjemot 5:22 -
3. De woorden „in volmaaktheid" komen niet voor bij Rasji. -
4. D.w.z. de woorden „Ik ben Hasjem". -
5. Bereisjiet 17:1 en 35:11. -
6. De Aartsvaderen
6. De Hebreeuwse tekst luidt: Oesjemi Hasjem lo noda'tie lahem [letterlijk vertaald: „En Mijn Naam Eeuwige Ik was niet bekend geworden aan hen." Ramban zegt hier, dat er volgens Rasji had moeten staan: lo hoda'tie - Ik heb hen niet bekend gemaakt, zodat de hele zin zou luiden: „En Mijn Naam Eeuwige heb Ik hen niet bekend gemaakt, " of er had moeten staan: Oesjemi Hasjem lonoda lahem - „En Mijn Naam werd hen niet bekendgemaakt."
7. Ramban voegt hier de letter wav - „en" toe, zodat er komt te staan: „En Mijn Naam is Hasjem, maar Ik was niet met die Naam aan hen bekend gemaakt." Dus twee aparte verklaringen: „Ik ben de Eeuwig getrouwe, die Zijn belofte altijd houdt" en „maar dat wisten zij nog niet".
8. De uitdrukking „de geleerde Rabbi" wordt door Ramban sarcastisch bedoeld, hij had duidelijk geen hoge dunk van Ibn Ezra, zoals uit vele plaatsen blijkt.
9. Dus Ibn Ezra voegt het woordje met toe.
10. Ijov [Job] 5:20.
11. Wajjikra 26:3-45 en Dewariem 28:1-68.
12. Dat is de wereld waar de zielen naar toe gaan, na het overlijden. Bij de Wederopstanding van de doden worden ziel en lichaam weer herenigd. Die wereld is volgens de Ramban de ‘Olam Haba [de Komende Wereld].
13. Kohelet [Prediker] 12:7.
14. De onuitspreekbare, vier letterige Naam.
15. Jesjajahoe 44:24.
16. Dus, waarom gebruikt Tora twee uitdrukkingen: „Ik ben verschenen" [waëra] en „Ik maakte Mij bekend" [noda'tie].
17. Dus Hasjem „verscheen" niet aan hen, maar maakte zich aan hen bekend.
18. Zie Dewariem 34:10.

Bron: Joods Leven

 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2020 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.