22 Chesjwan 5782 | 28 oktober 2021
Parasja
Bereesjiet/ Genesis     Sjemot/ Exodus     Wajjikra/ Leviticus     Bamidbar/ Numeri     Dewariem/ Deuteronomium     Combinaties     Feestdagen     
Parasja / Kidoesjiem / Inzicht Overzicht | Inzicht | Haftara | Commentaar
Wajjikra/ Leviticus 19:1–20:27 | door: Zwi Goldberg
Heb uw naaste lief als uzelf
In de afdeling van deze week komt een passoek voor die bijna iedereen kent, maar die lang niet altijd goed begrepen wordt en nog minder wordt toegepast: וְאָהַבְתָּ לְרֵעֲךָ כָּמוֹךָ אֲנִי ה' [We-ahavta lereacha kamocha, ani Hasjem] „Heb uw naaste lief als uzelf, Ik ben Hasjem," (Wajjikra 19:18), waarvan Rabbi Akiwa zei dat dit een כְּלָל גָּדוֹל בַּתּוֹרָה, „een fundamentele regel van de Tora" is.

De Talmoed vertelt (Sjabbat 31a) dat toen Hillel door een heiden benaderd werd met het verzoek om hem de hele Tora te leren, terwijl hij op één been stond, Hillel dit vers als volgt vrij weergaf: „Wat jij niet wil dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet." Tora commentatoren hebben altijd wat moeite gehad met de bedoeling van deze belangrijke, verheven, maar schijnbaar onmogelijke mitswa. Hoe kan iemand voor een ander dezelfde liefde voelen als die welke hij voor zichzelf voelt? Veel antwoorden zijn op deze vraag gege­ven. Laat ons eens zien wat Rabbijn Samson Raphael Hirsch erover zei. Hij wijst erop dat de Tora niet de woorden אֶת רֵעֲךָ [et reacha] gebruikt, maar het woord לְרֵעֲךָ [lereacha]. Het eerste zou op de persoon betrekking hebben, terwijl het laatste betrekking heeft op dat wat je naaste aangaat. Ik ben verplicht te erkennen dat mijn naaste dezelfde behoeften, hoop, angsten en frustraties heeft als die ik heb, en daarom moet ik trachten met hem op dezelfde manier om te gaan als waarop ik voor mijzelf zorg. Dat is de reden waarom de parafrase van Hillel zo juist is. Sprekend tegen de potentiële proseliet realiseerde hij zich dat de heiden nog niet klaar was om het gebod „heb je naaste lief als jezelf" te accepteren, maar dat hij wel het verbod kon begrijpen om anderen niet aan te doen waar hijzelf een hekel aan heeft.

Het woord כָּמוֹךָ [kamocha] wordt gewoonlijk vertaald met „jezelf" of „uzelf" (tussen jij en u bestaat in het Hebreeuws, net zo min als in het Engels, verschil), maar het betekent ook op dezelfde manier als jij jezelf liefhebt. Met andere woorden, men moet dezelfde maatstaf gebruiken wanneer men anderen oordeelt, als die welke men gebruikt om zichzelf te beoordelen. Wie zelf iets verkeerds doet, heeft daar altijd wel een excuus voor. De meeste mensen kunnen bij zichzelf geen foutje ontdekken, zij zien zichzelf altijd door een rose bril. Maar o wee, als een ander hetzelfde doet, dan heeft men daar geen goed woord voor. De Ba'alei moessar - de leermeesters van de Joodse ethiek - hebben gezegd dat de vermaning die men aan zijn naaste geeft, op dezelfde manier zou moeten worden gegeven als waarop men zichzelf bekritiseert. Het moet net zo scherp en soepel zijn. Wees zo scherp tegen anderen, zoals je scherp tegen jezelf bent wanneer je anderen kritiseert, dat wil zeggen, zoek naar dezelfde excuses als die je bij jezelf zoekt voor je eigen wangedrag. Geef kritiek met dezelfde soepelheid.

Als men zijn naaste vermaant met bezorgdheid en liefde, dan vervult men het advies van de Talmoed (Berachot 10a): „Wat betekent: ‘Laat de zonden worden uitgewist van de aarde' (Tehilliem 104:35)? Er staat ‘zonden,' niet ‘zon­daars.' Wij vragen Hasjem niet om de zondaars uit ons midden te verwijderen, maar wij vragen Hem dat Hij de zonden, het slechte gedrag verwijdert. Als dat verwijderd is, zijn er ook geen zondaars meer in ons midden."
In het algemeen kan gezegd worden dat het woord kamocha betekent dat wij onszelf in anderen gereflecteerd moeten zien. Als we dat doen, zullen wij anderen beter begrijpen en met hen kunnen meevoelen.

De grootste barrière voor de vervulling van deze mitswa is arrogantie en ijdelheid. Dat brengt ons ertoe anderen te beoordelen in plaats van voor hen te zorgen en met hen mee te leven, omdat wij onszelf beter voelen dan die ander. Een ware anav - een nederig en bescheiden mens- vermijdt het om anderen zijn eigen normen op te leggen en is bereid hen te accepteren op hun eigen voorwaarden. Er is een neiging om onze eigen persoonlijkheid, samen met onze problemen en tekort­komingen gereflecteerd te zien in anderen, wanneer wij met onze naaste omgaan. De psychologie leert dat er een begrip van overdracht bestaat. Bepaalde psychologische testen worden iemand gegeven om door hem bepaalde afbeeldingen te laten zien en hem te vragen te beschrijven wat hij ziet. Het resultaat is vaak een voorbeeld van hoe wij onze eigen gevoelens en ervaringen projecteren op anderen.
In één van deze testen wordt een plaatje getoond van een oude man die tegen een jonge man praat. Hem wordt gevraagd: „Wat denk je dat die oude man tegen die jonge man zegt?" De antwoorden variëren van: „Hij scheld hem uit," tot: „Hij prijst hem," en: „Hij heeft een vertrouwelijk gesprek met hem." Deze antwoorden weerspiegelen de ervaringen van de testpersoon. De Tora zinspeelt hierop met het woord kamocha - zoals jezelf. Inderdaad, kamocha - als jezelf - is een essentiële sleutel tot we-ahavta lereacha, dat wil zeggen, wij kunnen een ander begrijpen en met hem/haar meevoelen door onszelf in de plaats van die ander te denken. De kamocha ver­wijdert de barrière tussen mijzelf en mijn naaste. Wanneer ik mijzelf in zijn plaats stel, voel ik zijn pijn, beleef ik zijn vreugde, ervaar ik zijn verdriet.

De slotverklaring: Ani Hasjem - „Ik ben je G-d" - is uitermate belangrijk voor ons begrip van deze mitswa. Wat is je motivatie wanneer je deze mitswa doet? Doe je dat omdat G-d het je heeft bevolen, of omdat het je logisch en redelijk lijkt, omdat het een sociale verplichting is, die de samenleving stabiliseert? Dan is de uitoefening ervan afhankelijk van de omstandigheden en dan gaan wijzelf bepalen wanneer het nodig is en wanneer niet. Ieder geciviliseerd mens onderschrijft het begrip van „Heb je naaste lief als jezelf." En toch laten zij het voortdurend schieten om een veelvoud van redenen, zij het om zakelijke, egoïstische, eer­zuchtige, politieke of zelfs nationalistische redenen. Alleen wanneer het geworteld is in deze slotwoorden: „Ik ben Hasjem," heeft het duurzaamheid.

Dat is wat Rabbi Akiwa bedoelde, toen hij zei: „Dit is een fundamentele regel van Tora, een onverzettelijk en voornaam principe, zolang het geworteld is in en voortkomt uit Tora. Anders wordt het, net als de meeste moderne ethiek en moraal, conditioneel en relatief, en mist het de vastigheid in iemands filosofie van het leven. De afsluitende woorden „Ik ben Hasjem," verzekeren een onvoorwaardelijke acceptatie van dit funda­mentele principe, dat de basis vormt voor de sociale samenleving.

(Gebaseerd op ideeën van Rabbi Raphael Pelcovitz)

Ware Liefde
„Neem geen wraak en koester geen wrok. Heb je naaste lief als jezelf , Ik ben Hasjem" (Wajjikra 19:18)

Rabbi Akiwa zei dat dit de fundamentele wet van Tora is. Hillel zei het op een andere manier: „Wat jij niet wil dat jou overkomt, doe dat ook een ander niet aan." De Talmoed vertelt ons (in Traktaat Sanhedrin 45a) dat wij van deze regel leren dat als het een veroordeelde misdadiger betreft, die ter dood gebracht moet worden, dat wij hem een makkelijke dood moeten geven. Dit lijkt moeilijk te begrijpen. Is dit de liefde die de Tora van ons eist? Rabbi Eliyahu Meir Bloch legt uit dat de eigenschap van liefde die de Tora eist duidelijker te zien is in het geval van de misdadiger. Het is slechts natuurlijk voor iemand om zijn liefde en genegenheid te tonen aan iemand die dat verdient. Echter als de ander een misda­diger is, is onze natuurlijke neiging om hem te haten. Van nature wil men hem beledigen en vernederen. Maar de Tora leert ons iets ander. Zelfs al heeft hij iets misdaan en moet hij daarvoor zelfs ter dood gebracht worden, en is dat goed voor de samenleving, dan toch moeten wij proberen liefde voor hem te voelen. Want hoewel het een mitswa is om slechte mensen te haten, dat geldt alleen voor zolang hij zijn straf niet wil accepteren. Maar voor de persoon die gestraft gaat worden moeten wij het makkelijker maken en vermijden dat hij vernederd wordt.

Ik herinner mij een echtpaar, wiens huis altijd open­stond voor gasten. En die gasten waren bepaald niet altijd hun vrienden, vaak het tegendeel. Toen ik eens aan die man vroeg hoe hij die mensen, die hij duidelijk niet aardig vond, in zijn huis kon uitnodigen, antwoordde hij: „Ik heb geen moeite mijn vrienden uit te nodigen. Daar heb ik de mitswa van „Heb je naaste lief als jezelf " niet voor nodig. Maar als ik die mitswa wil uitvoeren, moet ik ook die andere mensen uitnodigen, waarvan het mij moeite kost om ze in mijn huis te halen."
Hoe kan men een ander net zo liefhebben als men zich­zelf liefheeft? Wanneer wij zelf een fout maken of een overtreding begaan, vinden wij daar altijd een excuus voor. Laten wij trachten voor die ander dezelfde ver­ont­schuldiging te vinden voor zijn fout of overtreding als die wij voor onszelf zouden gevonden hebben.

Hasjem heeft ons geschapen naar Zijn evenbeeld, staat er in Bereisjiet (1:27). Wij willen graag dat Hasjem ons onze fouten vergeeft. Wanneer wij de fouten van anderen kunnen vergeven, zoals wij ons onze eigen fouten kunnen vergeven en geen wrok koesteren tegen de ander, zijn wij op de goede weg om het doel van de mitswa te bereiken.

Bron: Joods Leven
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2021 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.