7 Tisjri 5781 | 25 september 2020
Parasja
Bereesjiet/ Genesis     Sjemot/ Exodus     Wajjikra/ Leviticus     Bamidbar/ Numeri     Dewariem/ Deuteronomium     Combinaties     Feestdagen     
Parasja / Pinchas / Inzicht Overzicht | Inzicht | Haftara | Commentaar
Bamidbar/ Numeri 25:10–30:1 | door: Zwi Goldberg
Mosje kijkt naar Erets Jisrael

...Hij heeft bekano [in zijn ijver] Mijn woede, kinati [Mijn jaloezie] op hen, afgewend van de Israëlieten
" (Bamidbar/Num. 25:11).

Rasji vertaalt het woord kina, de stam van bekano  en kinati, met ‘wraak.' En hij voegt daaraan toe dat elke uitdrukking van kina in Tora ‘zich afgunstig gedragen' betekent, zich op te winden, zich op te warmen, om een zaak te wreken, zoals het Franse woord embrasement dat ‘vuur, gloed' betekent [in de betekenis van „in vuur en vlam geraken voor iets].
Rasji leert ons hier een diepzinnige les. Het feit dat alle woorden kina in Tora „wraak", een „rekening vereffenen" betekenen, houdt in, dat zelfs als de een jaloers is op een ander, bijvoorbeeld als de buurman een mooiere auto heeft of als zijn gras groener is, dan is dat niet alleen maar jaloezie, maar het is tevens wraak. Hoe moeten wij dit opvatten? Wat heeft mijn buurman mij gedaan waarvoor ik wraak zou willen nemen?
Het Grote woordenboek van Dale  zegt dat iemand die jaloers is, pijn en verdriet voelt omdat een ander iets heeft wat hij zelf graag wil hebben. Maar hoe veranderen dergelijke gevoelens in wraakgevoelens?

HaRav Matitiahoe Solomon sjlita stelt dat, ten einde Rasji's commentaar te begrijpen, het nodig is om wat die­per te graven in de menselijke psyche, om de aard van een persoon die afgunstig is op een ander te analyse­ren. Wat is de motivatie van deze jaloezie en hoe komt het tot het punt van afgunst [afgunst is het stadium van Jaloezie waarbij men het voorwerp van de jaloezie de ander misgunt]?
Eerst moeten wij rekening houden met de anomalie die achter deze karaktertrek van jaloezie staat. Bij iedere andere vorm van lust en verlangen zoekt men bevrediging van zijn behoefte. Wanneer die behoefte niet be­vredigt wordt, is iemand verstoord. Zijn droefheid heeft echter alleen betrekking op datgene wat hij niet kon krijgen. Zodra zijn behoefte bevredigd is, keert zijn stemming weer terug tot normaal. Dat is niet zo bij de karaktertrek van jaloezie. Wanneer iemand jaloers is op iemand anders of op iets dat een ander bezit, dan wordt de aandacht van de jaloezie onmiddellijk van het voorwerp op de persoon die het bezit gericht. Hij begint het hem te misgunnen en dan te haten - zelfs nadat hij eenzelfde voorwerp verkregen heeft. De haat die aan zijn eigendomsverkrijging voorafging, blijft nog steeds overheersen. Met andere woorden, jaloezie ontwikkelt zich in een aantal stappen.

Eerst ziet iemand een voorwerp dat een ander in zijn bezit heeft en dat hijzelf wil hebben. Hij zegt bij zich­zelf: „Mijn vriend heeft iets dat ik niet heb." Dan zegt hij: „Ik verdien dat voorwerp ook te bezitten. Hij is niet beter dan ik." In de derde fase heeft hij het gevoel dat hij er meer recht op heeft dan zijn vriend. Hij be­gint zich nu in te denken dat in werkelijkheid dat voorwerp van hem hoort te zijn en niet van zijn vriend. Hij vraagt zich nu af: „Wat doet hij met mijn voorwerp?" Ten slotte wordt hij zo overweldig door zijn verbeel­ding, dat hij kwaad wordt op zijn vriend dat die ‘zijn' voorwerp ‘gestolen' heeft. „Wat hij heeft is in feite van mij!" Hij wordt woedend op die ander die „eens zijn vriend was" en hij zoekt naar wraak.

Dit is de betekenis van wat Rasji schrijft: het woord kina, dat in het algemeen vertaald wordt met jaloezie, bevat een overweldigende kracht van wraakgevoelens in zich. Zo is de menselijke aard.
HaRav Solomon merkt op dat, sommige mensen helaas een heel leven lang twistziek en vol wrokgevoe­lens zijn. Zij willen aan de top staan; ze zoeken publieke erkenning. Als iemand anders de publieke erken­ning krijgt waarvan zij vinden dat zij er recht op hebben, dan worden zij geagiteerd en gedeprimeerd. Dat leidt tot lasjon hara [kwaadsprekerij], zich neerbuigend uitlaten over anderen en laster. Dat is hun wraak. Dat sust hun boosheid. Niet alleen spreken zij lasjon hara, zij willen er ook graag naar luisteren - zolang als het de persoon, die het object van hun afgunst is, maar omlaag haalt en vernedert. Afgunst is de wortel van lasjon hara.

Dit is geen nieuw verschijnsel. En deze theorie is ook niet nieuw. Het enige nieuwe eraan is waarschijnlijk dat iemand de moed had om zich erover uit te spreken, de aandacht te vestigen op een ziekte, die de plaag van onze hedendaagse maatschappij is. Jaloezie, haat, laster, wraak - het zijn allen uitingen van onze gevoelens als iemand anders iets heeft dat wijzelf begeren. Het komt nimmer bij ons op dat wij het misschien niet ver­dienen, of dat wij er niet hard genoeg voor gewerkt hebben. Niemand bekijkt het ooit van die kant. Wij heb­ben altijd het gevoel dat òf alles van ons ìs, of alles van ons hoort te zijn. Wij gaan ons recht halen en vragen niet of wij daar recht op hebben. Als iemand anders iets heeft waarvan wij voelen dat wij dat zouden moeten hebben, dan hebben zij dat dus van ons afgenomen.

Bestaat er een genezing voor deze ziekte, die ‘afgunst' genoemd wordt? Orechot Chaïm l'HaRosj schrijft dat afgunst een ziekte is, waarvoor geen genezing bestaat. De Mesillat Jesjariem schrijft dat afgunst het resultaat is van onwetendheid en dwaasheid. De afgunstige persoon wint er niets bij; degene op wie hij afgunstig is, verliest er niets bij; de enige die erbij verliest is degene die afgunstig is. Afgunst wordt nog veel erger wan­neer men ziet dat een concurrent meer succes heeft. Afgunst is dodelijk; het is irrationeel. Maar dat feit schijnt er niemand van te weerhouden. De Or Jechezkel verklaart de ziekte, die afgunst genoemd wordt,  door uit te leggen dat de persoon in kwes­tie zich niet realiseert dat hij ziek is. De afgunst vreet hem op, totdat hij vervuld van wraakgevoelens is. Is er nog hoop voor hem?

Er is nog een kans voor genezing - geloof, vertrouwen in de Almachtige. Wanneer iemand zich het idee in­prent dat alles wat hij ooit zal bezitten, van Hasjem is en dat niemand ooit van hem iets kan afnemen wat recht­matig zijn eigendom is, dan is hij genezen van zijn afgunst. En inderdaad, wie afgunstig is op een ander, is, zoals HaRav Chaïm Vital zt"l het zegt, een moreed beHajem, iemand die tegen de Almachtige rebelleert. Hij vecht de beslissingen van Hasjem aan met betrekking tot wie wat zal krijgen en wie het niet krijgt. De Rambam schrijft dat in de dagen van de Masjiach er geen oorlogen, geen honger, geen jaloezie en geen afgunst meer zullen zijn. Er zal een overvloed aan goederen zijn, en de mensen zal het aan niets meer ont­breken. Zij zullen zich nog maar met één enkele inspanning bezighouden: om Hasjem te kennen en een die­per begrip te krijgen van zijn grootheid. Hoe interessant is het, zegt HaRav Solomon, dat de enige tikoen [repa­ratie, verbetering, herstel], die nodig is in de harten van het Joodse volk, om een periode te brengen waarin we kunnen garanderen dat de wereld gevuld zal zijn met een grondige kennis van de Almachtige, de uitroei­ing van de afgunst uit ons midden is. Helaas ontglipt dat „enige ding" ons voortdurend.

Bron: Joods Leven

 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2020 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.