25 Aw 5780 | 15 augustus 2020
Parasja
Bereesjiet/ Genesis     Sjemot/ Exodus     Wajjikra/ Leviticus     Bamidbar/ Numeri     Dewariem/ Deuteronomium     Combinaties     Feestdagen     
Parasja / Ekev / Inzicht Overzicht | Inzicht | Haftara | Commentaar
Dewariem/ Deuteronomium 7:12–11:25 | door: HaRav Eliëzer Chrysler
Als Mosjé Israël aanspoort om G-d te vrezen, zegt hij tegen hen: „En nu, Israël, wat vraagt Hasjem nog meer van jullie dan Hem te vrezen!" (Dewariem 10:12). De Gemara in Berachot (33b) verbaast zich over deze uitdrukking, die zou inhouden dat Jirat Sjamajiem makkelijk te bereiken is, terwijl in het werkelijke leven het tegendeel blijkt [we hoeven alleen maar te kijken hoe het woord jira - vrezen - in dit vers door sommigen foutief vertaald wordt met „ontzag hebben", hetgeen eerbied betekent].
De Gemara antwoordt: „Ja, voor zover het Mosjé betreft, was de vrees voor G-d een kleine zaak."
Wanneer we ons realiseren datMosjé tegen Klal Jisraël sprak en niet tegen zichzelf, lijkt dit een vreemd antwoord.

De Klie Jakar echter verklaart het in de context van de volgende psoekiem (11:2-7): „En jullie zult vandaag weten dat Hasjem niet tot jullie kinderen spreekt, die niets weten en die niet de moesar van Hasjem jullie G-d gezien hebben, noch Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm... Maar het zijn jullie ogen, die al deze grote daden, die Hasjem gedaan heeft, gezien hebben." Met jullie spreekt Hij.
Als Hasjem tegen hun kinderen gesproken had en dit geëist had, dan had Hij inderdaad iets moeilijks gevraagd. Maar nu Hij het van jullie vraagt, die al de [in de parasja] hiervoor genoemde wonderen gezien hebben, is het geen grote opgave. En dat is wat de Gemara bedoelt wanneer die zegt: „Ja, voor zover het Mosjé betreft, was de vrees voor G-d een kleine zaak." Want voor de generatie die Mosjé begeleidde door de woestijn en die de eindeloze stroom van wonderen (die het waarmerk van Mosjé's leiderschap waren) hadden waargenomen, was het inderdaad een kleine aangelegenheid. En dit, voegt de Klie Jakar er aantoe, verklaart ook de openingswoorden „En nu", die dit idee versterkt. Want het was alleen op dat moment, toen Mosjé die generatie toesprak, dat Mosjé iets dergelijks kon zeggen. Hij had het niet tegen de volgende generatie kunnen zeggen, zoals wij zojuist hebben uitgelegd.
Het probleem blijft echter dat de Tora voor alle generaties gegeven is, niet alleen voor de generatie die uit Egypte getrokken was. Dus wat had het voor nut om hen te vertellen dat Jirat Sjamajiem makkelijk was te bereiken, wanneer het voor komende generaties een hele moeilijke opdracht zou zijn?

Het antwoord ligt in het feit  dat toen Jirat Sjamajiem oorspronkelijk werd vereist, het vereist werd van een generatie die dat makkelijk kon opbrengen. Daardoor was het ook makkelijker voor volgende generaties te bereiken. En dit was het wat Mosjé in feite het volk vetelde. Als hij jirat Sjamajiem tegen enige volgende generatie gepredikt had, dan zou hij te veel vanhen verwacht hebben (en ‘Hasjem eist niet het onmogelijke van Zijn schepsels'). Maar nu hij het predikte tegen die generatie, was het niet alleen makkelijk voor hen, maar kwam het ook binnen het bereik van toekomstige generaties, omdat zij nu de traditie hadden die zij konden volgen. De volgende generatie van hen die al de wonderen met eigen ogen gezien hadden, konden hun ervaring met hun Jirat Sjamajiem overdragen aan hun kinderen. Zij konden hen vertellen: „Wij hebben hetr zelf meegemaakt en gezien." En de volgende generatie kon tegen hun kinderen vertellen: „Onze groot­ouders, meer dat twee miljoen mensen hebben het zelf meegemaakt en gezien." En zo voort, van generatie op generatie, zoals wij het nu nog steeds ieder jaar op de Seder-avond door vertellen aan onze kinderen: „Wij hebben het zo gehoord van onze ouders, die het hebben gehoord van hun ouders en grootouders..."

Dit begrip van Mesirat Nefesj, samen met andere bijzondere karaktereigenschappen, hebben wij geleerd van de Awot - de voorouders, de aartsvaders en -moeders. Het zou misschien onmogelijk voor ons geweest zijn, wanneer wij deze noodzakelijke eigenschappen niet van onze Awot geërfd hadden. Dit bewoog Rabbi Desler ertoe om de Zechoet Awot (de verdiensten van de voorvaderen) als Zakoet Awot (de zuiverheid van de Awot) te interpreteren, want wij hebben hun verfijnde karaktertrekken geërfd, waardoor wij in staat gesteld werden om in hun voetstappen te treden en om de hoogste spirituele niveau's te bereiken.

Bron: Joods Leven
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2020 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.